Archief | april, 2014

Fatsoenlijk transparant

29 Apr

“We zijn op weg naar meer maar ook naar fatsoenlijke transparantie”, schrijft Paul van Dijk. Zijn column verscheen eerder in het Tijdschrift voor Toezicht.

Fatsoenlijk transparant

Nee, de slinger van transparantie is niet op de weg terug. Ook het toezicht blijft zich ontwikkelen naar meer openheid, en nooit meer naar minder. Dat wil niet zeggen dat de slinger moet doorslaan. We zijn op weg naar meer maar ook naar fatsoenlijke transparantie.

Uiteraard vinden wij allen transparantie zeer belangrijk, vooral als het een ander betreft. De toezichthouder eist dat de onderneming inzicht geeft in de opbouw van tarieven, maar vraagt begrip voor de vertrouwelijkheid van de eigen activiteiten. De ondernemer wil weten waaraan de toezichthouder zijn geld besteedt, maar is bang dat gepubliceerde onderzoeksresultaten de eigen reputatie beschadigen.
Aldus liggen de klassieke verhoudingen, de werkelijkheid is genuanceerder. Menig toezichthouder is inmiddels bereid zich te verantwoorden, al was het maar om aan te geven wat de (positieve) effecten van het optreden zijn. Menig ondernemer vraagt toezichthouders nu juist man en paard te noemen, al was het maar om niet meegesleurd te worden met de reputatie van een gehele sector.

Verleiding

De verleiding is groot om transparantie tot een modieus begrip te bestempelen. Maar het mag geen modeverschijnsel zijn. Transparantie is geen wondermiddel, eerder een kenmerk van een moderne overheid.
‘Gij zult openbaar maken’, is het eenvoudige gebod dat de Raad voor het openbaar bestuur (Rob) heeft geformuleerd.1 ‘Openbaarheid is een noodzakelijke voorwaarde voor een goed functionerende democratische rechtsstaat: dienstbaar aan de legitimiteit van het openbaar bestuur en het vertrouwen van burgers in de overheid.’ De discussie over openbaarheid raakt, in de woorden van Rob-voorzitter Jacques Wallage, aan de ‘bedrijfscultuur’ van de politiek. ‘Uiteindelijk gaat het om houding, om attitude, om cultuur’.

Regel

Ook in de cultuur van het toezicht wordt openbaarheid veelal niet opgevat als de regel, maar als de uitzondering op geheimhouding. Van oudsher werkt de toezichthouder het liefst achter gesloten deuren. Terwijl ook in het toezicht de hoofdregel zou moeten zijn dat in beginsel alles openbaar mag en moet zijn.
Het uitgangspunt van transparantie dient in elk geval van toepassing te zijn op de toezichthouder zelf. Voor de legitimiteit is belangrijk dat verantwoording wordt afgelegd over de activiteiten. Dat geldt voor de prioriteiten en de besteding van het budget. En het geldt evenzeer voor bestuurskosten, zelfs voor de wijn bij het bestuursdiner.
Transparantie heeft ook te gelden voor de bevindingen van de toezichthouder. Niet dat daarbij geen vragen kunnen worden gesteld. Wat betekent deze openheid bijvoorbeeld voor de bereidheid om informatie met toezichthouders te delen? Wanneer wordt het onderzoek zelf belemmerd? En – de meest hovaardige van alle vragen – kunnen anderen wel omgaan met de informatie, of gaat de ‘medialogica’ ermee op de loop?
Voor burgers en bedrijven onder toezicht zijn de vragen nog indringender. Inspectieresultaten zeggen iets over de inspectie maar veel meer nog over de geïnspecteerde(n). Het is logisch dat er dan, naast het publieke right to know, aandacht is voor de belangen van degenen die onder toezicht staan.
De Raad van State liet zich onlangs kritisch uit over de verplichting tot openbaarmaking van sanctiebesluiten, die was opgenomen in het wetsvoorstel ter stroomlijning van het toezicht van de Autoriteit Consument en Markt. Naming and shaming kan, aldus het advies, leiden tot aanzienlijke economische en tot ‘morele schade’ van de onderneming en de betrokken natuurlijke personen. Openbaarmaking zou daarom de uitkomst moeten zijn van een ‘afzonderlijke belangenafweging’. Minister Kamp van Economische Zaken zegt in reactie te streven naar ‘een gedifferentieerd regime, waarbij het doel van openbaarmaking, te weten de waarschuwing van consumenten en marktpartijen, onveranderd vooropstaat maar aan het belang van de rechtsbescherming van de bij openbaarmaking betrokken marktorganisaties meer gewicht wordt gegeven.’3

Onderneming

Een belangenafweging in concrete gevallen maakt de uitkomsten niet altijd voorspelbaar. Worden resultaten van onderzoek nu wel of niet openbaar gemaakt? Kan de toezichthouder naar eigen believen het wapen van communicatie inzetten als middel van gedragsbeïnvloeding? En waarop kan de burger of het bedrijf dan nog vertrouwen?
De vraag is of het niet beter zou zijn om helder te regelen wat wel en niet openbaar gemaakt wordt. Uiteraard hebben dan ook uitzonderingen te gelden, met name voor bedrijfsvertrouwelijke informatie. Maar de hoofdregel blijft de hoofdregel.
Ondernemingen en andere organisaties onder toezicht moeten zich ervan bewust zijn dat bevindingen over hen openbaar worden. Dit hoort bij de deelname aan het maatschappelijk verkeer. Bij maatschappelijk verantwoord ondernemen hoort dat een ondernemer zich maatschappelijk verantwoordt.
Gaat het om natuurlijke personen, dan is voorzichtigheid op zijn plaats. Vanuit het perspectief van een toezichthouder is er niet per se een principieel verschil tussen een rechts- en een natuurlijke persoon; beide zijn ‘onder toezicht gesteld’, beide kunnen met naam en toenaam in de publiciteit komen. Maar de consequenties voor een mens grijpen dieper in dan die voor een organisatie.
Enige prudentie is niet alleen aangewezen omdat toezicht feilbaar is; later kan blijken dat de toezichthouder het bij het verkeerde eind had. Voorzichtigheid is ook geboden als de toezichthouder op zich terecht een maatregel neemt. De gevolgen voor een maatschappelijke positie kunnen buitenproportioneel zijn. Hebben we daarbij voldoende oog voor het fundamentele recht om fouten te maken? En als we de onthulling van de identiteit verdedigbaar vinden voor verwijtbare overtredingen, waarom is het regime voor ‘boeven’ in het toezicht dan anders dan voor ‘boeven’ in het strafrecht? Het zou goed zijn als toezichthouders hiervoor een afwegingskader maken, liefst in afstemming met het Openbaar Ministerie.

Begrip

Uit recent onderzoek naar het openbaarmakingsbeleid van de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) blijkt dat zorgaanbieders begrip hebben voor het publiceren van inspectierapporten en maatregelen.4 Kritiek richt zich onder meer op de korte voorbereidingstijd op de openbaarmaking. Ook zou onvoldoende rekening worden gehouden met het uitvergroten van negatieve aspecten.
De IGZ heeft toegezegd voortaan standaard bij een rapport de zienswijze of reactie van een zorgaanbieder te publiceren. Verder bekijkt de inspectie de mogelijkheid om de termijn te verlengen tussen het aankondigen, instellen en bekendmaken van verscherpt toezicht.
Het onderzoek maakt duidelijk dat niet (of minder) omstreden is dat toezichthouders communiceren over ondertoezichtgestelden. Er is meer discussie over de vraag hoe dat gebeurt. Qua toon en qua procedure.
Ook in het kader van transparantie geldt: c’est le ton qui fait la musique. Een toezichthouder dient zich ook in communicatie te baseren op feiten, niet op suggesties. Hoedt u voor toezichthouders met een mening, vraag hun vooral om een oordeel. Het getuigt van lef als een toezichthouder, zoals de IGZ, ruimte biedt voor wederhoor in het eigen persbericht. Deze praktijk kan een voorbeeld zijn voor anderen.
Ook in de procedure dient een toezichthouder fatsoenlijk te zijn. In verschillende wetten is vastgelegd dat een betrokkene vooraf geïnformeerd moet worden, zodat deze via een voorlopige voorziening kan proberen de publicatie tegen te houden. Ook zonder wettelijke verplichting is het goed om relaties te informeren over publiciteit die ophanden is.

Uiteindelijk is de transparantie er niet voor de toezichthouder of degene die onder toezicht staat, maar voor het algemene publiek. Dat heeft een right to know. In abstracto, over het functioneren van het toezicht. En meer concreet, om gewaarschuwd te worden tegen misstanden.
Bedrijven en burgers moeten beseffen dat zij, zodra zij zich in het maatschappelijk verkeer begeven, ook vatbaar kunnen zijn voor publieke beoordelingen. Toezichthouders moeten beseffen dat hun transparantie fatsoenlijk moet zijn. Zij dienen in de procedure en inhoud van communicatie voldoende ruimte te bieden aan de belangen van alle betrokkenen.

Noten
1 http://www.rob-rfv.nl/documenten/boekje_advies_openbaarheid.pdf

2 http://netdem.nl/verslag-gij-zult-openbaar-maken

3 http://www.raadvanstate.nl/adviezen/zoeken-in-adviezen/tekst-advies.html?id=10729

4 http://www.igz.nl/actueel/nieuws/openbaarmakingsbeleid_igz_onderzocht.aspx

Deze column verscheen eerder in het Tijdschrift voor Toezicht, 2013, aflevering 3, blz. 84-87.

Advertenties

Diner Pensant: genoeg te bespreken over toezicht

24 Apr

Uit het Diner Pensant van de ToezichtTafel blijkt dat er nog genoeg te bespreken is over toezicht. Er zijn verschillende vragen die een antwoord verdienen: over de maatschappelijke inbedding, de positionering, maar ook de uitvoering van toezicht.

Aan het Diner Pensant werd deelgenomen door toezichthouders en mensen uit de wereld van beleid, bedrijfsleven, advies en onderzoek. Centrale vraag was wat in een derde “kaderstellende” visie op toezicht zou moeten staan. Drie clusters van onderwerpen kwamen aan de orde: de maatschappelijke inbedding, de positionering van de organisatie maar zeker ook de uitvoering van toezicht.

De 17 deelnemers toonden zich woensdagavond nieuwsgierig naar de reactie die het kabinet gaat geven op het WRR-rapport Toezien op publieke belangen. In afwachting van het kabinetsstandpunt (en ook daarna!) blijven bijdragen aan de discussie welkom aan de ToezichtTafel.

20140424-091643.jpg

Welkomstwoord van Rob Velders (Foto Frédérique Six)

Naar een Nederlandse Regulators’ Code?

14 Apr

In het Verenigd Koninkrijk geldt nu een Regulators’ Code. Rob Velders stelt de vraag of er ook zo’n code moet komen in Nederland. 

De code is een instructie voor toezichthouders, in het VK sterk vanuit het perspectief van economische groei. Rob Velders zet de hoofdlijnen op een rij: volgens de code moeten toezichthouders:

38d55b9

Rob Velders

  1. bedrijven helpen naleven en groei ondersteunen;
  2. onnodige regeldruk vermijden (minimaliseren van negatieve economische gevolgen van regels minimaliseren en kosten van naleving, meer vertrouwen en aanmoedigen van naleving);
  3. de regels die zij handhaven kennen;
  4. de principes van goed toezicht kennen alsmede deze code;
  5. eenvoudige communicatie bieden voor degenen op wie ze toezicht houden en luisteren wat zij zeggen;
  6. degenen die zij reguleren alsmede burgers kans geven hun mening te ventileren en te betrekken bij wijzigingen in de normen. Voordat normen worden gewijzigd moet de impact op bedrijven worden beoordeeld zodat ze proportioneel en consistent zijn. Dit geldt niet als er evident noodzaak is tot acuut ingrijpen;
  7. tijdig en in heldere bewoording duidelijk maken hoe bezwaar gemaakt kan worden tegen opgelegde maatregelen of afwijkend gedrag t.o.v. deze code of hoe men kan klagen over toezicht;
  8. regelmatig feedback vragen over hun toezicht aan degenen op wie ze toezicht houden;
  9. evidence-based en risico-gericht te werk gaan;
  10. bij elk risico onderbouwen welke interventie zij zullen gaan toepassen;
  11. dit risk assessment regelmatig actualiseren en openstellen voor hen over wie het gaat;
  12. bij risk-assessment ook de naleving nadrukkelijk betrekken en erkennen;
  13. de effectiviteit van hun toezicht regelmatig toetsen;
  14. informatie over naleving en risico’s delen;
  15. geen informatie vragen die reeds bekend is;
  16. (op verzoek) informatie, hulp en advies geven om beter te kunnen naleven en verantwoordelijkheden te kunnen dragen;
  17. betrouwbaar advies geven aan hen op wie zij toezicht houden;
  18. samenwerken met andere toezichthouders;
  19. transparant zijn over wat ze van bedrijven verwachten alsmede hoe ze toezichthouden en wat de kosten daarvan precies zijn en waarom;
  20. inzicht geven in hoe zij deze code uitvoeren en zorgen dat hun medewerkers deze naleven.

Moet er ook in Nederland een code voor toezichthouders komen? En wat zou daarin moeten staan? Doe mee aan de discussie op LinkedIn.

“Sparrow in de polder”

10 Apr

Nederlandse toezichthouders willen vooral problemen oplossen, dat bleek weer eens tijdens het jaarcongres van beroepsvereniging Vide. In Almere gingen donderdag toezichthouders, inspecteurs, handhavers en evaluatoren op zoek naar de “optimale mix” van interventies. Het draaide uit op “Sparrow in de polder”.

Afsluitende sessie jaarcongres Vide 2014

Jaarcongres Vide 2014

Met deze typering verwees Vide-voorzitter Ko de Ridder naar Malcolm Sparrow, de Harvard-hoogleraar die veel Nederlandse toezichthouders heeft beïnvloed met zijn mantra “Pick important problems, fix them and then tell everybody.” In Nederland leidde zijn aanpak bijvoorbeeld tot het boek “De Interventie“, over het oplossen van “hardnekkige nalevingsproblemen”.

Normmarkering

Herman Bolhaar, de hoogste baas van het Openbaar Ministerie, was naar Almere gekomen om te pleiten voor samenwerking tussen zijn “800 togadragers” en het “verfijnde” netwerk van toezicht en handhaving. Er zijn verschillen maar in beide werelden gaat het volgens hem om “normmarkering”.

De voorzitter van het college van procureurs-generaal bestrijdt het beeld van strafrecht als laatste redmiddel: van ultimum remedium naar optimum remedium. Bolhaar: “Strafrecht is geen probleemoplossend systeem, maar kan er wel een bijdrage leveren om te voorkomen dat iets nog eens gebeurt. We moeten nadenken wanneer en hoe we interventies richten.”

Klassieke muziek

Je moet niet alleen dingen doen die bewezen actief zijn, maar ook dingen uitproberen, zei burgemeester Annemarie Jorritsma. Haar voorbeelden – zoals klassieke muziek op stations – lieten ook zien dat meer toezicht niet altijd de beste oplossing is. Zo ligt er in Almere een snel fietspad, want langs het spoor, dat ook eng bleek te zijn, want buiten de bebouwde wereld. En dus loopt het spoorbaanpad in de nieuwste wijk niet meer langs de spoorbaan.

Even verderop, in het toezicht op de Oostvaardersplaatsen, is het juist de kunst om niet in te grijpen. Tijdens een van de werkbezoeken bleek dat de beheerders het liefst alle kadavers  zouden laten liggen, maar dat mensen daar nog niet aan toe zijn. De congresgangers noteerden als les: “Interveniëren is niet goed, maar het moet soms van de politiek.”

Klik hier voor het programma van het jaarcongres.

Diner Pensant aan de ToezichtTafel

4 Apr

Op 23 april organiseert de ToezichtTafel een Diner Pensant in Utrecht. Op het menu staat een nieuwe visie op toezicht.

Tijdens het Diner Pensant willen we praten over de belangrijkste onderwerpen voor het toezicht. Die onderwerpen zijn ook onderwerp van gesprek in de politiek. Het kabinet wekt aan een reactie op het advies van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid over rijkstoezicht. Een van de aanbevelingen is om te komen tot een nieuwe visie.

Het Diner Pensant, georganiseerd door Rob Velders en Paul aan Dijk, vindt plaats op woensdagavond 23 april, in Utrecht. De kosten voor het drie-gangen-diner bedragen €35,-. Er zijn nog plaatsen beschikbaar. Aanmeldingen zijn mogelijk via info@velders-imc.nl.

%d bloggers liken dit: