Archief | november, 2014

Kabinet: externe toezichthouders moeten interne organen inschakelen

29 Nov

Externe toezichthouders op semipublieke instellingen moeten ook medezeggenschapsorganen en raden van toezicht bij het toezicht betrekken. Dit schrijft het kabinet in een brief over de borging van publieke belangen.

Minister Kamp (Economische Zaken) ziet een “spanningsveld” tussen professionals en bestuurders in sectoren als zorg en onderwijs.

“Hoe deze twee belangen goed met elkaar verbonden kunnen worden dient onderwerp van gesprek te zijn. Daarnaast is het van belang dat de externe toezichthouder, de inspectie, ook voldoende zicht heeft op wat er binnen instellingen gebeurt.”

In de ogen van het kabinet zijn raden van toezicht en raden van commissarissen er niet primair voor de instelling maar voor het publieke belang en voor de dienstverlening aan de burger. Interne toezichthouders moeten onafhankelijk van de bestuurder voldoende informatie inwinnen.

“Om het toezicht effectiever te maken, wordt in de sectoren onderwijs en wonen de interactie tussen interne en externe toezichthouder versterkt. Bij vermoedens van ongeregeldheden geldt er een meldingsplicht van de interne toezichthouder bij de externe toezichthouder. De externe toezichthouder voorziet de interne toezichthouder van dezelfde informatie als de bestuurder.”

Incidenten

“Incidenten zullen er altijd zijn”, aldus het kabinet. “Er zijn grenzen aan wat de overheid bereiken kan, en het antwoord ligt zeker niet altijd in meer regels en plichten.” Juist in semipublieke sectoren werken betrokken mensen. \

“Teveel regels over de invulling van de taak en de verantwoording daarover kunnen deze betrokkenheid schaden, net als een gesloten en defensieve cultuur aan de top binnen instellingen dit kan doen.”

Commissie

Het kabinet heeft de brief gebaseerd op een analyse door de in 2012 ingestelde ministeriele commissie Vernieuwing Publieke Belangen. In de brief wordt aangekondigd dat deze speciale commissie weer wordt opgeheven.

Column: Hoe innovatief moet het ACM-toezicht zijn?

12 Nov

Is de Autoriteit Consument & Markt met haar innovatieve strategie afgedreven van haar collega-toezichthouders? Of loopt de ACM (tijdelijk) enigszins eenzaam voorop? “Beide zou ik voorbarige conclusies vinden”, schrijft bestuursadviseur René Jansen in Markt & Mededinging:

De Autoriteit Consument & Markt organiseerde op 20 juni jl. haar 2014 Conferentie, met als titel Innovation in Oversight/Oversight and Innovation. Het was een prima georganiseerde en feestelijke conferentie en tegelijkertijd een bijeenkomst die in het teken stond van ‘high level’ inhoudelijk-strategische vraagstukken. ACM markeerde met haar bijeenkomst natuurlijk ook het afgesloten eerste volle jaar in haar bestaan als geïntegreerd toezichthouder op het gebied van consumentenbescherming en het concurrentiële functioneren van markten.

foto rene jansen‘Innovation in oversight’ – het eerste deel van de titel van het congres – reflecteert ook de strategie en de ambitie van ACM: de toezichthouder wil op innovatieve wijze invulling geven aan haar taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden, met het belang van de (soevereine) consument en de consumentenwelvaart als leidende beginselen. De toespraak van voormalig FTC-voorzitter prof. Bill Kovacic (‘Regulation innovation: creating a state-of-the-art agency’) getuigde van een grote mate van respect en bewondering voor ACM als fusieorganisatie en de door haar gekozen strategie. Net als eerder in het Jaarverslag NMa 2005 geeft Bill Kovacic in 2014 opnieuw het Nederlandse markttoezicht een lovende ‘appreciation from abroad’.

Naast de terechte waardering voor de (door)start van ACM vanaf april 2014, horen we ook enkele kritische geluiden. Van binnen en buiten Nederland. Zo viel mij de scherpe toon van de Erasmus Universiteit op bij haar analyse van besluiten in ziekenhuisconcentraties. ACM laat zich mogelijk te zeer leiden door visies van stakeholders in plaats van door haar eigen juridisch-economische effectanalyses.

Van buiten Nederland viel mij onlangs de beoordeling van de Global Competition Review (GCR) op. GCR maakt een jaarlijkse ‘rating’ van alle ‘competition enforcers’. De beoordeling van (de NMa) en ACM over 2013 zakt voor het eerst sinds enkele jaren onder de score ‘zeer goed’ (dat wil zeggen minder dan vier – van maximaal vijf – sterren). Daarmee valt ACM uit de top van de best beoordeelde autoriteiten. De GCR-redactie kijkt hierbij naar zaken als de hoeveelheid (grote) zaken en besluiten, opgelegde boetes, prestaties in beroepszaken, een innovatieve aanpak en dergelijke.

GCR houdt wel van een stevige aanpak: een hoog ‘enforcement level’ met hoge, afschrikwekkende, boetes die stand houden in (hoger) beroep en die daarmee een onmiskenbaar signaal naar de markten geven. In 2004 kreeg de NMa voor het eerst een viersterrenbeoordeling met onder meer als toelichting: ‘Dutch competition officials are among the few who can trumpet a large catch, following a success in the construction industry.’ Deze beoordelingscomponent van GCR is door de jaren heen aanwezig gebleven. Dat komt bij de lagere beoordeling over 2013 tot uiting in oordelen als een sterke ACM-gerichtheid op het directe kortetermijnconsumentenbelang, een gebrek aan ‘fresh enforcement’, weinig financiële boetes, nauwelijks zaken op het gebied van misbruik van machtsposities en een lagere score in beroepszaken dan voorheen.

Afschrikking (‘deterrence’) ziet GCR nog steeds als een centraal element in de strategie en het succesvol opereren van een mededingingstoezichthouder. Getuige de (be)schikkingenpraktijk van de Amerikaanse autoriteiten, de Europese Commissie, het Bundeskartellamt en andere ‘regulators’ is dit nog steeds een breed gedeelde opvatting. De minister van Economische Zaken beklemtoont evenzeer het belang van de afschrikkende werking van hoge boetes en bereidt zelfs een wet voor gericht op een verhoging van het boetemaximum.

Zien we hiermee dat de innovatieve strategie die ACM heeft ontwikkeld is afgedreven van haar collega-toezichthouders? Of dat ze (tijdelijk) enigszins eenzaam voorop loopt? Beide zou ik voorbarige conclusies vinden.

In zijn eerste strategie-uitingen heeft het bestuur van ACM inderdaad ogenschijnlijk nogal afstand genomen van de inzet van zijn formele wettelijke sanctie-instrumentarium bij wetsovertredingen. Het zou moeten gaan om het snel oplossen van problemen, ietwat kort door de bocht geformuleerd. In de notitie Strategie ACM van september 2013 heeft de toezichthouder mijn inziens een evenwichtige benadering gevonden. Enerzijds geeft ACM aan dat in haar toezichtstijl het effect van haar optreden centraal staat en de instrumenten volgend zijn. Dat impliceert, aldus de notitie, dat ze ‘waar mogelijk snelle, pragmatische oplossingen nastreven’, mede met het oog op de effectieve vervulling van haar taken. Anderzijds is de toezichtstijl erop gericht dat ACM niet zal schromen om het belangrijke instrument van sancties in te zetten bij overtredingen.

Hier ligt een opdracht voor ACM tot het bewaren en bewaken van een goede balans in de dagelijkse toezichtpraktijk. Op de achtergrond daarvan spelen vragen als de interpretatie en invulling van begrippen als probleemoplossend werken, effectief optreden en consumentenbelang. Het gehanteerde tijdsperspectief is hierbij heel belangrijk: een acuut of structureel probleem, effectief op korte en/of lange(re) termijn, direct binnen te halen consumentenwinst of een structurele borging van consumentenwelvaart? Repressief toezicht is hierbij noch alleen-zaligmakend noch een anachronisme. Zonder reële dreiging worden andere instrumenten snel ineffectief. Ik zou verwachten dat bij een weloverwogen en uitgebalanceerde aanpak, de beoordeling van ACM door Global Competition Review weer snel terug zal komen op het niveau van vier stralende sterren!

Deze column is verschenen in het tijdschrift Markt & Mededinging van Boom Juridische uitgevers:|
Drs. René Jansen, ‘Hoe innovatief moet het ACM-toezicht zijn?’, M&M 2014-4, p. 147-148

Meurs: doe onderzoek naar “high trust, high penalty”

10 Nov

Er moet een onderzoek komen naar “high trust, high penalty”. Dit pleidooi hield Pauline Meurs tijdens de Conferentie Kennisagenda Rijksinspecties. De voorzitter van de Raad voor Volksgezondheid en Zorg vreest dat de “slogan” perverse effecten heeft.

Het adagium “high trust, high penalty” roept toezichthouders tot vertrouwen, maar ook tot strenge sancties als het vertrouwen wordt beschaamd. Volgens Pauline Meurs is dit “het recept voor een verdere ondermijning van het vertrouwen tussen toezichthouder en onder toezicht gestelde. Goed toezicht gaat én over steun bieden én over sancties opleggen.”

Principes

De Inspectieraad wil de ontwikkeling van het toezicht bevorderen door kennisuitwisseling tussen de inspecties en met het wetenschappelijk onderzoek. Als het aan Meurs ligt, richt de kennisagenda zich op principes, niet op instrumenten van toezicht. Zo is zij geïnteresseerd in onderzoek naar de rol van burgers bij inspecties, maar ook naar klokkenluiders en institutuionele onafhankelijkheid. Zij waarschuwde dat goed onderzoek niet vanzelf tot goed toezicht leidt.

Beoordelingskader

Over vijf jaar moet de kennisinfrastructuur versterkt zijn, stelde Marjolein van Asselt van de Onderzoeksraad voor Veiligheid. De raad werkt zelf aan een beoordelingskader voor “passend toezicht”.

Van Asselt uitte haar zorgen over het gebrek aan onafhankelijkheid van inspecties. Onderzoeken hebben “onderhandelingstoezicht” aan het licht gebracht; toezichthouders constateren dan gebreken die leiden tot  plannen van aanpak, niet tot sancties.

In de ogen van Van Asselt moet toezicht “voldoende eigenstandig” zijn. Inspecties moeten de ruimte nemen en krijgen om het toezicht naar eigen inzicht vorm te geven. Hun oordelen dienen zij ongefilterd kenbaar te kunnen maken aan de samenleving.

Promotie over evaluatie van anti-rookbeleid

7 Nov

Op 13 november verdedigt Wendy Verdonk haar proefschrift “‘Supervision, compliance and societal effects; IMPACT ASSESSMENT OF THE TOBACCO LEGISLATION; Effects of the Workplace-smoking ban and the tobacco sales ban to minors”.

Beschrijving

Het verbeteren en verantwoorden van toezicht is de laatste decennia steeds belangrijker geworden. In dit proefschrift beschrijven we de rol van toezichthouder in relatie tot toezichtevaluatie en de uitvoering in de praktijk.

Tevens zijn er in het kader van de Tabakswet naleef- en beleidsevaluaties uitgevoerd. Hieruit bleek dat na de invoering van de rookvrije werkplek in 2004 de naleving door werkgevers is gestegen tot 96% (2008). De blootstelling aan tabaksrook daalde bij alle werknemers, maar bleef hoger bij laaggeschoolden en mannen. Door de combinatie van de rookvrije werkplek en accijnsverhogingen daalde het tabaksgebruik bij werknemers. De invoering van de leeftijdsgrens van 16 jaar in 2003 zorgde voor minder tabaksaankopen door jongeren. De gevonden effecten dragen bij het bereiken van de beleidsdoelstellingen, het terugdringen van (mee)roken. Dit is belangrijk omdat roken in Nederland de belangrijkste vermijdbare doodsoorzaak is.

Meer informatie:

Promotie: Mw. (Wendy) M.I. Verdonk-Kleinjan

Donderdag 13 november 2014, 14.00 uur

Aula van de Universiteit van Maastricht, Minderbroedersberg 4-6, Maastricht.

Universiteit van Maastricht, Faculty of Health, Medicine and Life Sciences.

Teeven: geen zorgen om onafhankelijkheid rijksinspecties

7 Nov

Staatssecretaris Teeven deelt niet de zorgen van De Nationale ombudsman om de onafhankelijkheid van rijksinspecties. Dit blijkt uit antwoorden op Kamervragen:

“Onafhankelijkheid is een van de drie kernwaarden van goed toezicht en een van de zes principes van goed toezicht volgens de Kaderstellende visie op toezicht uit 2005 “minder last, meer effect”. De drie Rijksinspecties zijn onafhankelijk in hun oordeelsvorming en in het nemen en kiezen van maatregelen in individuele gevallen. Onafhankelijke (risicogerichte) programmering is onderdeel van die kernwaarde, zij het dat de betreffende Minister of Staatssecretaris moet kunnen aangeven waar de Inspecties in ieder geval aandacht aan moeten besteden. Inspectieonderzoeken maken immers deel uit van een systeem van checks en balances voor adequaat uitgevoerd overheidsbeleid. Binnen de grenzen van de wet maken de Inspecties hun bevindingen openbaar. Inspecties moeten tenslotte de ruimte hebben om te signaleren, ook als het signaal is dat beleid of wetgeving niet functioneert of verkeerd wordt toegepast. Rapportages worden zonder inhoudelijke tussenkomst van de betreffende Minister of Staatssecretaris, eventueel wel voorzien van een beleidsreactie, naar het parlement gestuurd.
Op deze wijze functioneren de Inspecties onafhankelijk binnen de kaders van de ministeriële verantwoordelijkheid. Ik deel de zorgen van de Nationale ombudsman dan ook niet.”

Onafhankelijk toezicht op woningcorporaties, maar hoe?

3 Nov

De parlementaire enquêtecommissie Woningcorporaties bepleit een “Woonautoriteit” die onafhankelijk toezicht houdt. Eerder deed minister Blok (Wonen & Rijksdienst) al een voorstel voor onafhankelijk toezicht, maar dan anders. Volgens de commissie hoort de toezichthouder een zelfstandig bestuursorgaan te zijn, volgens de minister een dienst onder ministeriële verantwoordelijkheid.

In het politieke debat over het rapport “Ver van huis” en de novelle zal het onder meer gaan om de vraag hoe de onafhankelijkheid kan worden geborgd. Hier een overzicht van argumenten die commissie en kabinet tot nu toe hebben gebruikt:

Enquêtecommissie woningcorporaties

(rapport Ver van huis)

Minister Blok

(toelichting en nota n.a.v. verslag bij novelle)

Om de onafhankelijkheid van de Woonautoriteit en daarmee een onpartijdige en professionele uitvoering van het toezicht op de woningcorporaties te borgen, moet deze Woonautoriteit de status van zelfstandig bestuursorgaan (zbo) hebben. Daarmee kan zij buiten de ambtelijke hiërarchie van het departement, maar wel onder de ministeriële verantwoordelijkheid daadwerkelijk onafhankelijk toezicht uitoefenen en wordt de invloed van «beleidsmatig opportunisme» beperkt. In het licht van de huidige praktijk, de rapporten en de adviezen komt de regering tot de volgende uitgangspunten voor de positionering van de externe toezichtfunctie op toegelaten instellingen:

  • het is gewenst dat de ministeriële verantwoordelijkheid ten aanzien van het externe toezicht (volkshuisvestelijk en financieel) ten volle wordt gewaarborgd;
  • het toezicht dient los van de beleidsfunctie te opereren. Dit moet gelden voor zowel het financiële als het volkshuisvestelijke toezicht;
  • de beide vormen van toezicht hebben elk hun specifieke karakter en dienen elk goed tot hun recht te komen. De beide vormen van toezicht zullen derhalve gescheiden blijven;
  • wel zal gegeven de raakvlakken en mogelijkheden tot efficiencyverbeteringen onder de verantwoordelijkheid van de Minister zorggedragen worden voor een optimale informatie-uitwisseling en samenwerking tussen beide toezichtfuncties;
  • de toezicht- en saneringsfunctie worden gescheiden van elkaar vormgegeven en komen bij verschillende organisaties te liggen;
  • vanuit beide toezichtfuncties dient een goede informatie-uitwisseling en afstemming met het WSW geregeld te worden.
Naar het oordeel van de commissie geldt voor het toezicht op de woningcorporaties onverminderd het eerste instellingsmotief van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen: «Er is behoefte aan een onafhankelijke oordeelsvorming op grond van specifieke deskundigheid.» In lijn met het regeerakkoord dat voor zelfstandige bestuursorganen het adagium «nee, tenzij» hanteert, acht de regering de positionering van de financiële toezichttaak in een ZBO niet wenselijk uit een oogpunt van politieke aanspreekbaarheid en heldere verantwoordelijkheidsverdeling.
Zoals de Wetenschappelijk Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) onlangs vaststelde in zijn advies over rijkstoezicht, is de onafhankelijkheid van menig toezichthouder bepaald geen «rustig bezit» en is er sprake van een «politiseringstendens». Recente incidenten bij toezichthouders bevestigen dit beeld. Eerder was ook de Raad van State in zijn advies op de Herzieningswet toegelaten instellingen volkshuisvesting kritisch op de ZBO-vorm voor de Financiële Autoriteit woningcorporaties. Vanuit de beginselen van de democratische rechtsstaat vond de RvS de hiermee gepaard gaande beperking van de ministeriële verantwoordelijkheid en de vermindering van de controlemogelijkheden door de Staten-Generaal «wenselijk noch noodzakelijk».
Met name aan een scheiding tussen het rechtmatigheidstoezicht en het beleid heeft het de afgelopen twintig jaar ontbroken, waardoor «beleidsmatig opportunisme» onpartijdig toezicht in de weg stond. Dat moet in de toekomst worden voorkomen: politiek en beleid stellen de regels, het toezicht houdt onafhankelijk en onpartijdig toezicht. De praktijk van de verschillende rijksinspecties laat zien dat voor een onafhankelijke taakuitoefening de ZBO-status niet nodig is zolang de functies van beleid en toezicht duidelijk gescheiden belegd zijn. Via mandatering van de toezichttaken en de bijbehorende sanctiebevoegd- heden meent de regering dat er goede waarborgen voor een onafhankelijke taakuitoefening zullen zijn.
Ook dit is in lijn met het overheidstoezicht in de andere (semi)publieke domeinen en met de kaderstellende visie op toezicht van het kabinet. In de memorie van toelichting op het wetsvoorstel is de regering reeds ingegaan op de waarborgen die daarbij zullen worden vastgelegd, ontleend aan de Kaderstellende Visie op Toezicht die geldt voor alle rijksinspecties.
De Woonautoriteit zal voldoende krachtige bevoegdheden en instru- menten moeten hebben voor alle elementen van toezicht houden: informatieverzameling, oordeelsvorming en interveniëren. Daarbij hoort een eigenstandig recht op informatievergaring en een sanctie- instrumentarium, zoals bijvoorbeeld de mogelijkheid om een aanwijzing te geven of een boete op te leggen. De zwaarste sancties, zoals het vervangen van bestuursleden of commissarissen of het intrekken van de status van toegelaten instelling, zullen bij de Minister moeten blijven liggen. Onafhankelijk en krachtdadig toezicht acht de regering van groot belang. Recentelijk zijn enkele sanctiebevoegdheden aan het CFV gemandateerd. Ook na inwerking- treding van de novelle zullen de toezichthouders over die sanctiebevoegdheden beschikken.
%d bloggers liken dit: