Archief | december, 2017

Vakkundige toezichthouders hebben drive en moeten een leven lang leren

21 Dec

Op 29 november 2017 kwamen de ondernemingsraden van de inspecties bij de FIOD in Utrecht bij elkaar om te spreken over vakmanschap en verbinding. In het ochtenddeel was een interessante line-up van sprekers. Rob Velders doet verslag.

Where to go en how to go
De aftrap was van gastheer en directeur van de FIOD, Hans van der Vlist. Zijn dienst heeft een onderzoek laten uitvoeren onder de medewerkers naar wat volgens hen het doel (where to go) van de FIOD is. Gelukkig bleek men daarover in ruime mate gelijk te denken (>80% allignment): effect sorteren, compliance bevorderen, samenwerken en afpakken van crimineel vermogen.

Daarentegen bleken er grote verschillen van inzicht over de vraag hoe die doelen te bereiken (how to go). Na interne discussie werd vastgesteld dat het gaat om professionaliteit van de medewerkers, het zijn van een lerende organisatie en het gericht zijn op technologische ontwikkeling. Dit alles dient gecombineerd te worden met dienend leiderschap van het management en ondernemerschap bij de medewerkers.

Je koopt als inspecteur je vrijheid door goed te zijn
Wetenschapper Matthieu Weggeman verzorgde een boeiend betoog over vakmanschap en de inspecteur van de toekomst. Volgens hem is 80% van de medewerkers een professional; iemand die vakdeskundig is en liever iets goed doet dan fout. Deze mensen verdienen ruimte en vertrouwen en moeten worden gestuurd op output. Als die output te ambitieus wordt gesteld dan dreigt burn-out. Als het juist te weinig uitdagend is dan dreigt bore-out.

Bazen die niet uit het vak afkomstig zijn, produceren meer bore-outs en burn-outs omdat ze niet goed kunnen beoordelen wat tussen die twee in ligt; inspecteurs hebben dus vakdeskundige chefs nodig. “

Waar vakdeskundigheid bij managers ontbreekt ontstaat vanzelf een regelneef die werkt op basis van regels en input.”

Zo verbaasde Weggeman zich over de benoeming van Wouter Bos als leidinggevende van een ziekenhuis in Amsterdam. Hij had dan wel de overstroming als crisismanager uitstekend geleid, “maar het ziekenhuis staat meestentijds niet onder water en een serieuze gesprekspartner voor de artsen kan hij niet zijn”.

Professionals hebben behoefte aan managers die durven te differentiëren. En aan een duale ladder: goede inspecteurs moeten kunnen groeien in hun vak tot expert, met bijbehorend hoog salaris, maar zonder per se manager te hoeven worden. Nu ontbreekt dat perspectief bij de meeste inspecties.

WeggemanKenniswerkers kenmerken zich door een hoge opleiding en voortdurende bijscholing om up-to-date te blijven. Maar: niet iedere kenniswerker is een professional en andersom geldt dat ook niet automatisch. Indien het wel samenkomt in een inspecteur dan gaat kwaliteit vóór kwantiteit en resultaat vóór regels en procedures. Bij deze mensen is de liefde voor het vak groter dan de liefde voor geld, efficiency en vrije tijd.

Van de resterende 20% van de medewerkers is driekwart “ex-prof”. Die mensen kunnen het niet zo goed (meer). Voor deze mensen zijn leerprogramma’s nodig. De laatste 5% betreft mensen die het niet (meer) willen. Zij werken uitsluiten voor het geld en bij hen zijn dan ook strakke planning, control, sturing, regels en procedures nodig.

Weggeman hield een warm pleidooi voor een collectieve ambitie, zoals bij de FIOD. Die geeft  richting aan de ambities en energie van de professionals binnen de organisatie. Voor de inspecteur van de toekomst gelden volgens Weggeman de volgende criteria:

  • professionele attitude
  • mission-driven
  • blijven leren en een uitdagend werkpakket
  • kennis delen en samenwerken
  • goed zijn in het vak
  • een wenkend carrièreperspectief hebben
  • gestuurd worden op output

Weggeman constateerde dat de ruimte voor de professionele toezichthouder impliceert dat de inspecties de politiek vaker moeten durven tegenspreken als iets niet kan of niet zinvol is. Dat is iets anders dan weten hoe de hazen in Den Haag lopen. Blinde loyaliteit en de minister “uit de wind houden” leveren geen vernieuwing op.

Ruimte om te werken binnen een bandbreedte
Marc Kuipers, IG van de Inspectie SZW, reageerde direct op de suggestie van Weggeman. Tegenspreken is juist een teken van loyaliteit: altijd meebuigen kan voor de korte termijn loyaal lijken, maar neemt onderliggende problemen niet weg. En dat kan juist voor veel grotere ellende zorgen en is dus allesbehalve loyaal.

“Dat vraagt dapperheid en stevigheid. Met respect je positie verwoorden kan en moet altijd en is juist een teken van loyaliteit.”

Vervolgens benadrukte Kuipers het belang van de gezamenlijke verantwoordelijkheid van management en inspectie-medewerkers over de uitvoering van het werk en het realiseren van doelstellingen. Daar mag een bandbreedte aan inzichten en werkwijzen zijn.

“We zijn immers allemaal mensen en hebben die ruimte nodig. Maar het is van belang om dan wel binnen die marges te blijven en verantwoording af te leggen”.

Na jaren van bezuinigen en continu redeneren dat die bezuinigingen echt kunnen zonder dat het werk en de resultaten daar onder zouden leiden, heeft de I-SZW van het nieuwe kabinet een verruiming van het huidige budget van 100 miljoen naar 150 miljoen toegekend gekregen. Naar de mening van Kuipers kan nu vol ingezet gaan worden op de kracht en realisatie van een gezamenlijke missie.

Ook signaleerde Kuipers het belang van mixed teams van (digitale) jongeren en (oude) “analogen”. Digitale vaardigheden zullen meer gevraagd worden dan in het verleden, maar analoge deskundigheid, waaronder het bekende “onderbuikgevoel” zal altijd nodig blijven.

Je kunt maximaal drie veranderingen per jaar vragen
Na de pauze ging Ronnie van Diemen in op het belang van opleiden, ontwikkelen en vakmanschap. Zij begon met de stelling dat gedurende haar hele carrière als kinderarts, wetenschapper, bestuurder en toezichthouder één vraag centraal staat: is dit de zorg die je je naaste wenst?

Een belangrijke boodschap van Van Diemen was dat elke inspecteur vanuit vakmanschap met andere ogen naar de werkelijkheid kijkt dan bijvoorbeeld de samenleving, politiek, media, patiënten, zorgverzekeraars of artsen.  Dat leidt tot de constatering dat er verschillende werkelijkheden zijn en dat moeten inspecteurs zich realiseren. En de ontwikkelingen in de zorg en elders gaan razendsnel. Dat vergt ook een leven lang leren van de toezichthouders.

De maatschappij verandert en het toezicht moet mee veranderen. Dat heeft effect op de visie, inhoud, proces, mensen, middelen van de inspecties en vraagt dus een groot verandervermogen.

Schema veranderen
Wezenlijke veranderingen vergen vaak wel veel tijd. Het is Van Diemen gebleken dat het eigenlijk niet mogelijk is om meer dan drie wezenlijke veranderingen per jaar te verwachten. Vaak schieten veranderingen namelijk na verloop van tijd weer terug in het oude spoor.

Ze steunt de opleidingen die door de Inspectieacademie worden aangeboden

  • startende inspecteur
  • strategisch toezicht
  • professie en verdieping

Ook de komst van rijkstrainees en de ABD-app horen in dit traject.

De uitdagingen die er liggen:

  • meerwaarde bewaren en het optimaal benutten van heterogene groepen;
  • werken met docenten, trainers en begeleiders uit het primaire proces van de eigen inspecties;
  • verbinden van het primaire proces met vakgebieden, leren en ontwikkelen, HRM en organisatie-ontwikkelingen. Alleen in samenhang is het mogelijk betekenisvolle activiteiten te ontwikkelen.

Het spanningsveld in de huidige tijd schuilt in de professionaliteit ten opzichte van heersende systemen. Hiervoor is bij de IGJ in juni van dit jaar een dialoog over verdere professionalisering gestart. Het is dus zaak om niet terug te vallen en voort te gaan op de ingeslagen weg. Ze eindigde met de vraag aan alle Ondernemingsraden:

“Welk verandervermogen heeft jullie inspectie?”

Workshops
In het resterende deel van de middag werden er workshops verzorgd. Door Carin Benders over inspectiewerkwijzen. Door Jan Bos over uitwisseling van inspecteurs. En door ondergetekende over de code voor goede inspecteurs de consequenties daarvan voor de inspecties door ondergetekende.

Rob Velders

Advertenties

Pleidooi voor terughoudendheid bij toezicht op onwenselijk gedrag

14 Dec

Een toezichthouder dient terughoudend te zijn in het bestrijden van gedrag dat onwenselijk maar wettelijk toegestaan is. Dit schrijft Frank ’t Hart in zijn dissertatie  over de zorgplicht bij financiële dienstverlening, die hij op 21 december verdedigt aan de Universiteit van Amsterdam. 

De promovendus constateert dat toezichthouders zich steeds meer richten op het voorkomen of bestrijden van onwenselijk gedrag, ongeacht of dit gedrag verboden is. “Centraal staat het onwenselijke gedrag en niet zozeer de naleving van wetgeving”. Deze visie kan ervoor zorgen dat ondernemers aan meer verplichtingen moeten voldoen dan de wet eist.

Volgens ’t Hart is deze aanpak niet per se “zorgelijk”, als maar wordt voldaan aan een aantal voorwaarden:

  1. De toezichthouder moet terughoudend zijn in het bestrijden van onwenselijk maar rechtens toelaatbaar gedrag en niet een apart stelsel aan normen in het leven roepen die te ver verwijderd is van de wettelijke normering.
  2. De toezichthouder dient zich voorspelbaar en magistratelijk op te stellen.
  3. De rechtspositie van de onder toezicht staande financiële onderneming moet adequaat worden beschermd. “De verhouding tussen toezichthouders enerzijds en onder toezicht staande financiële ondernemingen anderzijds mag niet zodanig worden verstoord dat het machtswoord van de toezichthouder in plaats van het argument komt te regeren.”
’t Hart constateert bijvoorbeeld dat druk wordt uitgeoefend op financiële ondernemingen om het belang van de klant centraal te stellen, “ongeacht of zulks juridisch verplicht is”. Ook wijst hij op het de zogenaamde informele handhavingsinstrumenten, waaronder  beïnvloeding van de publieke opinie. Daardoor voelen financiële ondernemingen zich gedwongen “om te handelen overeenkomstig de wens van hun toezichthouder, ongeacht of daartoe een wettelijke verplichting bestaat”.
Klik hier voor meer informatie.

ILT gooit het roer helemaal om

9 Dec

Op 27 november presenteerde inspecteur-generaal Jan van den Bos van de Inspectie Leefomgeving en Transport aan genodigden de eerste plannen inzake de nieuwe Koers ILT 2021. Rob Velders was erbij en doet verslag:

Van den Bos heeft na zijn aantreden als IG een SWOT-analyse laten uitvoeren via interviews met externen. De uitkomst daarvan viel niet mee. Ook enkele recente rapporten van de Onderzoeksraad voor de Veiligheid (“Hadden wij het OVV-rapport over Schiphol niet zelf moeten schrijven?”) kraakten harde noten over de ILT. Deze ervaringen hebben geleid tot het besluit om het roer helemaal om te gooien en een nieuwe koers te gaan varen.

Sleutelwoorden daarbij zijn “informatie-gestuurd”, “risico-gericht” en “open”.

De ILT zet in op het bereiken van effecten. Ook moet de dienst- en vergunningverlening moderner, transparanter en realistisch geprijsd zijnDe verandering zal in fases verlopen, terwijl de winkel open blijft.

Inhoudelijk richt de ILT zich op maatschappelijke problemen waarbij de toezichthouder een zichtbare bijdrage aan de oplossing wil leveren. In het proces zullen medewerkers en midden-management nadrukkelijk worden betrokken.

De ILT heeft een organisatiebrede risico-analyse (IBRA) uitgevoerd. Voor 2018 zijn zes prioritaire programma’s in het Meerjarenplan-nieuwe-stijl vastgesteld: bodem, grond- en oppervlaktewater, afvalstoffen, marktverstoringen in het goederenvervoer op de weg, productielabels, ozonafbrekende en klimaatschadelijke stoffen en uitstoot of lozing van gevaarlijke stoffen door schepen. Er komt een speciaal programma voor Schiphol alsmede een verkenning naar “vertrouwen in instituties”.

De ILT wil zaken multidisciplinair aanpakken, waarbij de luiken veel meer dan voorheen open gaan. Daarbij zullen nieuwe inzichten en data-analyses worden gebruikt.

Ook de structuur en cultuur van de ILT gaan op de schop: adaptief, wendbaar, met ruimte voor specialistische kennis. Er komen nieuwe directies: Informatie en programmering, Vergunningverlening, Autoriteit Woningcorporaties, Veiligheid en instituties, Duurzaamheid en Bijzondere Opsporing alsmede de directie Buitenwereld en bestuur en Inspectieondersteuning en control. Het midden-management moet bestaan uit mensen die verstand hebben van de inhoud en daarover dus het gesprek kunnen aangaan met hun inspecteurs.

Yvonne Verzijden gaf een boeiende toelichting op de IBRA-risicoanalyse. Ze benoemde het probleem om welhaast onvergelijkbare grootheden tegen elkaar af te zetten. Immers, de ILT is een verzameling van fusies met een daaruit voortvloeiende veelheid aan taken. Er zijn dilemma’s: waar zitten de grootste risico’s, wat zijn we verplicht om te doen en wat is – maatschappelijk gezien – het goede om te doen? En als we weten wat de belangrijkste maatschappelijke schades zijn, hoe is dan onze huidige inzet op die thema’s? Vergeleken met de feitelijke inzet van de ILT is die verhouding er niet of nauwelijks. Met de IBRA is een eerste stap gezet, nu wordt een verbeteragenda opgesteld.

Arnold van Vuuren (foto) ging dieper in op de programma’s en handelingsperspectieven van de ILT. Hij gaf daarbij een beeldend inkijkje in de eerste en veelbelovende resultaten van de data-analyses. Een ambitie is om (geld)stromen inzichtelijke te maken, maar ook om gedragingen te voorspellen

Kortom, een nieuwe koers met nog veel onzekerheden, maar wel een koers die naar het gevoelen van de ILT én van de aanwezige externen, ambitieus én veelbelovend is.

Rob Velders

%d bloggers liken dit: