Uitgeblust toezicht

Hoe Gelderse en Doetinchemse ambtenaren en bestuurders 10 jaar lang faalden en er een ander voor laten opdraaien.

In oktober 2020 onthulden De Monitor en Follow the Money hun bevindingen over het bedrijf Rutgers Milieu BV in Doetinchem: het bedrijf is failliet en de geëmotioneerde verhuurder van het terrein vertelt dat hij moet opdraaien voor de opruimkosten voor het achtergelaten blusschuim van meer dan een miljoen euro. Dat geld heeft hij niet. Sensatie, emotie en verbijstering: top-entertainment. Maar nu heeft Pro Facto in opdracht van de gemeente de affaire (2010-2020) onderzocht op basis van 500 ter beschikking gestelde (ambtelijke) stukken en vertrouwelijke interviews met 22 betrokkenen. De bevindingen zijn neergelegd in een onlangs verschenen rapport, zonder sensatie en emotie. Maar de verbijstering blijft.

Rutgers Milieu B.V. heeft van het gemeentebestuur van Doetinchem in 2010 een vergunning gekregen voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor onder andere het demonteren van brandblussers. Rutgers Milieu zou de brandblussers leeghalen en verwerken en het vrijgekomen blusschuim mocht, met een maximale toegestane hoeveelheid 10.000 kilo, opslaan in zogenaamde Intermediate Bulk Containers (IBC’s), alvorens het blusschuim zou worden afgevoerd of verwerkt. Negen jaar later blijkt er een situatie te zijn ontstaan waarin aanzienlijk meer dan de vergunde 10 m3 aan blusschuim is opgeslagen terwijl een aantal van de IBC’s vloeistof is gaan lekken in de ondergrond. Bovendien blijkt althans een deel van het opgeslagen blusschuim PFOS te bevatten, door het RIVM aangemerkt als een ‘zeer zorgwekkende stof’.

Bizarre constateringen

Nergens uit de stukken is de onderzoekers (Mr. Niko Struiksma, Prof.dr. Jacobus de Ridder en Mr. Jeanne Cazemier Msc) gebleken dat het bevoegd gezag ooit een risico-inschatting van het bedrijf heeft gemaakt, laat staan consequenties heeft getrokken voor toezicht en handhaving. De vergunningverlener meent dat het aanvoeren van blusschuim in brandblussers niet hetzelfde is als het aanvoeren van blusschuim zelf. Ook het feit dat blusschuim PFOS kan bevatten is niet juist betrokken in de vergunning. Door die fouten kon het bedrijf jarenlang onterecht maar onbeperkt doorgaan met het opslaan van (milieugevaarlijk) blusschuim.

Het bedrijf is 13 keer gecontroleerd waarbij telkens (zware) overtredingen werden geconstateerd waartegen niet is opgetreden. Op 2 keer na is altijd akkoord gegaan met beloftes tot betere naleving. Er waren vele signalen dat het scheiden van blusschuim van water door het bedrijf experimenteel was en de facto niet werkte. De installatie was tijdens geen van de controles in bedrijf. Daar werden nooit consequenties aan verbonden. Er waren ook diverse andere signalen en waarnemingen dat er steeds meer blusschuim op het terrein kwam en dat het bedrijf illegale handelingen verrichtte en niet vergunde afvalstoffen opsloeg. Dat was al vanaf de eerste controle het geval.

Door ingrijpen van de wethouder van de gemeente Doetinchem is niet handhavend opgetreden, ook niet door de provincie. Het afzien van handhaving door de provincie werd binnen de gemeente Doetinchem zelfs “als een overwinning gevierd”.

Harde conclusies

Rutgers Milieu zou op een nieuwe manier blusschuim gaan verwerken. En het had zeven medewerkers met een afstand tot de arbeidsmarkt in dienst. Het bedrijf werd gezien als voorbeeld. Zelfs de staatssecretaris van SZW kwam om die reden op bezoek. De onderzoekers vermoeden dat het “beeld van de ondernemer die zorgt voor welvaart en werkgelegenheid heeft gedomineerd” en dat dat heeft geleid tot “aanzienlijke welwillendheid van het bevoegd gezag tegenover het bedrijf, ondanks de geconstateerde milieuovertredingen. Er viel bij het bevoegd gezag en zijn ambtenaren een houding te bespeuren die neerkwam op: jammer van de overtredingen maar dat lossen we samen wel op.”

De onderzoekers denken daar duidelijk anders over. “Wie de vele schendingen van de door het eigen gemeentebestuur afgegeven milieuvergunning aldus met vreugde begroet moet niet verbaasd staan als vervolgens blijkt dat de vergunninghouder zich gaat gedragen alsof elke overtreding van de milieuvergunning getolereerd zal worden. En zo eindig je met meer dan 1000 ton PFOS-houdend blusschuim waar niemand meer weg mee weet.”

De onderzoekers schrijven ook hoe het anders had gemoeten. “Het besluit over handhaving had al in januari 2012 genomen kunnen en moeten worden. In plaats daarvan heeft het provinciaal bestuur het besluit tot handhaving voor zich uitgeschoven tot er een ontwerp-omgevingsvergunning was opgesteld. Op dat moment trad de juridische situatie in die bekend staat als ‘concreet zicht op legalisatie’ en was het provinciaal bestuur rechtens gehouden om af te zien van handhaving. Het is een oneigenlijk gebruik van de clausule ‘zicht op legalisatie’ en langs deze weg heeft het provinciaal bestuur zich wel degelijk toch aan zijn plicht tot handhaving onttrokken. Het bevoegd gezag dat zo met zijn handhavingsplicht omgaat moet niet verbaasd zijn als de milieuregelgeving dan helemaal niet meer nageleefd wordt.”

In de betreffende periode is het bevoegd gezag, door wetswijzigingen, verandering van activiteiten en de oprichting van Omgevingsdienst Achterhoek (ODA) drie keer gewijzigd. “Deze snel op elkaar volgende veranderingen hebben vergunningverlening, toezicht en handhaving in deze casus geen goed gedaan. Ambtenaren werden herplaatst, er was weinig continuïteit in de dossiervorming en de digitale administratie was gebrekkig. Het heeft de ODA twee jaar gekost om het huis op orde te krijgen.”

Het systeem heeft op alle mogelijke wijzes gefaald en de onderzoekers gebruiken daarvoor de term (onvoldoende) robuustheid. “De voorgaande analyses bevatten allerlei aanwijzingen dat deze uitvoerders elk voor zich niet voldoende robuust waren om de complexiteit van een afvalverwerkend bedrijf het hoofd te bieden. Om de meest in het oog springende zwakheden te recapituleren: de gemeentelijke organisatie was niet robuust genoeg om de risico’s van een afvalverwerker te onderkennen, de provinciale organisatie was niet robuust genoeg om fouten bij het opstellen van de vergunning en fouten in de interpretatie van de vergunning te voorkomen en de ODA was jarenlang niet robuust genoeg om de foutieve interpretatie van de vergunning te onderkennen en om handhavend op te treden toen er overtredingen werden gesignaleerd en toen men zich realiseerde dat de gebezigde interpretatie van de omgevingsvergunning inderdaad onjuist was.”

Overige constateringen van de onderzoekers

De onderzoekers schrijven verder dat afvalbedrijven wezenlijk anders zijn dan productiebedrijven: zij krijgen eerst geld om iets te gaan doen terwijl productiebedrijven juist eerst moeten investeren om geld te verdienen. Voor de afvalbranche is dit een prikkel om zo goedkoop mogelijk van het afval af te komen. Er is sprake van een groot aantal faillissementen van afvalbedrijven die de overheid vervolgens met de troep laten zitten. Het bevoegd gezag had dat volgens de onderzoekers kunnen (en moeten) weten.

Een zekerheidsstelling zou geholpen kunnen hebben om de huidige situatie te helpen oplossen. Het ministerie van VROM wilde een dergelijke zekerheidsstelling begin deze eeuw opnemen in de wet. Onder druk van de Tweede Kamer (via de motie Vietsch (CDA) en Nepperus (VVD)) is dat echter nooit ingevoerd.

Leerzame epiloog

In de epiloog van het rapport doen de onderzoekers nog twee terechte verzuchtingen:

“Als er dan toch één les uit deze ongelukkige geschiedenis getrokken zou moeten worden, dan is het een herwaardering, juist ook door het bevoegd gezag, van het ambt en het ambacht van de regulator, van de organisatie en de mensen die vergunningverlening, toezicht en handhaving voor hun rekening nemen.”

“VTH is een moeilijk vak. (..) Het vergt veel kennis, onder meer van de (..)risico’s van uiteenlopende en zich steeds vernieuwende bedrijfsprocessen en van de wet- en regelgeving die beoogt (..)risico’s beheersbaar te maken. Het vergt kunde voor wat betreft oordeelsvorming en onderscheidingsvermogen. Het vergt moed en doorzettingsvermogen. En het vergt een evenwichtige zakelijke opstelling van toezichthouders en het bevoegd gezag, een houding waarbij de ondertoezichtgestelde noch als een potentiële fraudeur noch als een weldoener der mensheid wordt benaderd maar louter op zijn relevante (..) merites wordt beoordeeld.”

De schaamte voorbij

Wat mijzelf hier bovenop nog zeer verbaast is dat de gemeente de verhuurder van het terrein direct na het faillissement van Rutgers via bestuursdwang laat opdraaien voor de opruimkosten van meer dan een miljoen euro. Dit ondanks het feit dat hij de gemeente voordien al had gewaarschuwd dat er veel te veel opslag plaatsvond. Met dat signaal werd niets gedaan. De gevolgen van het verbijsterende eigen falen afwentelen op een partij die part nog deel heeft aan de ontstane situatie is dan ook de schaamte ver voorbij.

(RV)

Lees ook:

Categorieën:Geen categorie

1 reply

  1. Gaan anderen (provincies) hier ook van leren? Zo zie ik Noord Holland de situatie met Tata Steel en Afvalverking Amsterdam met lede ogen aan.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s