Rapport Omgevingsdiensten in beeld

Publicatiedatum 1-9-2021
Auteurs TwijnstraGudde en SPPS Consultants
aantal pagina’s: 60

Sinds 2013 worden in opdracht van gemeenten en provincies de taken op het gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH-taken) voor bedrijven landsdekkend door 29 regionaal werkende omgevingsdiensten uitgevoerd.
Het ministerie van IenW voert vanaf 2015 bij deze omgevingsdiensten tweejaarlijks een onderzoek uit naar de kwaliteit van de uitvoering van de VTH-taken waarmee inzicht in de ontwikkeling van het VTH-stelsel wordt verkregen.
Tot 2021 waren deze onderzoeken vooral gebaseerd op gesprekken met betrokkenen en grotendeels kwalitatief van aard. Het algemene beeld was dat omgevingsdiensten goed op weg waren met uitvoering van de opgedragen taken. De Adviescommissie VTH (commissie van Aartsen: Om de leefomgeving, omgevingsdiensten als gangmaker voor het bestuur) constateert in maart 2021 dat de positie van omgevingsdiensten niet stevig genoeg is om de rol te spelen die hen was toebedacht. De Adviescommissie stelt een aantal maatregelen voor om de kwaliteit van de uitvoering te verbeteren en te borgen. De Adviescommissie VTH constateert ook dat er op landelijk niveau nauwelijks data voorhanden zijn om de prestaties van omgevingsdiensten te kunnen meten en vergelijken.
Het ministerie van IenW heeft SPPS/TwynstraGudde (SPPS/TG) de opdracht gegeven om, als onderdeel van het wettelijk verplichte onderzoek naar de uitvoering van de VTH-taken, relevante data van alle omgevingsdiensten te verzamelen en te analyseren. Dit onderzoek is in de zomer van 2021 uitgevoerd en op 1 september 2021 is daarover gerapporteerd in dit rapport, Omgevingsdiensten in beeld.

Conclusies

1. Voor het eerst data over VTH op landelijk niveau
Voor het eerst zijn nu op landelijk niveau én per omgevingsdienst gegevens beschikbaar over aantallen bedrijven, aantallen medewerkers, aantallen uitgevoerde inspecties, de jaarlijkse budgetten etc. Het landelijk beeld laat onder meer zien dat er jaarlijks circa € 570 miljoen beschikbaar is voor onder meer het toezicht op meer dan 350.000 bedrijven en vergunningverlening aan circa 15.000 bedrijven. Dat werk wordt door 4.600 mensen uitgevoerd.

2. Algemeen beeld en mogelijke tekorten
De verzamelde data maken onder meer zichtbaar dat er een grote spreiding is in de wijze waarop omgevingsdiensten hun taken uitvoeren en hoe zij worden gefinancierd. Bijvoorbeeld de inspectiefrequentie, de actualiteit van vergunningen, de inzet van bestuurs– en strafrecht en het melden van ongewone voorvallen, verschillen sterk per regio. Er is een grote variatie in omvang en taken. Dit onderzoek bevestigt bovendien dat nog steeds niet alle gemeenten het basistakenpakket (BTP) aan de omgevingsdienst hebben overgedragen.
Omvang en taken hebben te maken met het karakter van de regio en zijn ook historisch gegroeid. Een aantal omgevingsdiensten heeft een dusdanig klein takenpakket dat zij op basis van de aangeleverde data niet voldoen aan de landelijk geldende en wettelijk vastgelegde kwaliteitscriteria.

3. Omgevingsdiensten en maatschappelijke opgaven
Een klein takenpakket wil niet zeggen dat de deelnemers in de gemeenschappelijke regeling van mening zijn dat de betreffende omgevingsdienst de huidige taken in de regio niet naar behoren kan uitvoeren. Echter, als het gaat om grote maatschappelijke opgaven rondom klimaat, energietransitie, zeer zorgwekkende stoffen en het bestrijden van regio-overstijgende milieucriminaliteit, is een zeker minimum uitvoeringsniveau gewenst.
Het rapport Omgevingsdiensten in beeld laat de betekenis van de omgevingsdiensten voor de kwaliteit van de leefomgeving in Nederland zien. Met de juiste landelijke aanpak kunnen de omgevingsdiensten meer ingezet worden om een bijdrage te leveren aan het realiseren van (inter)nationale milieudoelen.

4. Meer landelijke coördinatie en samenwerking
Ook in verband hiermee wordt in dit rapport op meerdere terreinen gepleit voor meer landelijke coördinatie en een eenduidig aanspreekpunt voor het Rijk. Dit kan door Omgevingsdienst NL, de vereniging van directeuren van omgevingsdiensten in Nederland, een grotere coördinerende rol te laten spelen en daarmee de collectiviteit van omgevingsdiensten vorm te geven.
Daarvoor komen onder andere de volgende taken in aanmerking: kennis en deskundigheid ontsluiten en delen, kwaliteitsverbetering door onderlinge visitatie, transparantie en meer landelijke uniformiteit realiseren, digitalisering, ketenbenadering in het toezicht en bestrijding van regio-overschrijdende milieucriminaliteit. Met collectiviteit wordt efficiency bereikt en meer (geborgde) kwaliteit. Bovendien kan door meer samen te werken en door meer risico- en informatiegerichte sturing, meer worden bereikt met dezelfde middelen.
In het rapport wordt voor het realiseren van meer coördinatie door Omgevingsdienst NL, een actieve en ondersteunende rol van het stelselverantwoordelijke departement bepleit, ten minste voor de periode tot 2030.
Belangrijk is dat Rijk, IPO en VNG alle voornemens rondom verbetering en borging van VTH-taken en de transitie naar een betekenisvolle rol in de grote maatschappelijke thema’s in een werkprogramma vastleggen.

Aanbevelingen

  1. Een regionale risicoanalyse met ruimte voor landelijke prioriteiten
    Omgevingsdiensten zijn met een gezamenlijk budget van circa € 570 miljoen en 4.600 medewerkers een factor van belang in Nederland. De omgevingsdiensten werken vooral aan de uitvoering van wettelijke taken. Deze uitvoering zou meer gericht kunnen zijn op het versterken van een duurzame, gezonde en veilige leefomgeving in de regio en in Nederland als geheel.

    SPPS/TG adviseert:
    • IPO, VNG en het ministerie van IenW om een gezamenlijke aanpak te ontwikkelen waarin de programmering van
    werkzaamheden van de omgevingsdiensten wordt gebaseerd op een gezamenlijke risicoanalyse op regionaal
    niveau, waarin ruimte is voor het aanpakken van landelijke prioriteiten.
  2. Omvang en taken omgevingsdiensten
    De omvang van omgevingsdiensten in aantallen inrichtingen en medewerkers loopt sterk uiteen. Een aantal gemeenten heeft het verplichte basistakenpakket nog niet overgedragen aan omgevingsdiensten.

    SPPS/TG adviseert:
    • dat gemeenten onverwijld, voor zover dat nog niet heeft plaatsgevonden, het basistakenpakket conform de wet
    overdragen aan omgevingsdiensten;
    • provincies en gemeenten per omgevingsdienst een toets uit te laten voeren op het voldoen aan de kwaliteitscriteria en, indien de diensten niet voldoen, te streven naar samenvoeging van diensten op ten minste de schaal van een veiligheidsregio, tenzij er bestuurlijk geborgde afspraken kunnen worden gemaakt over een wijze van samenwerken of specialisatie waarmee wel aan de kwaliteitseisen kan worden voldaan;
    • VNG en IPO te bevorderen dat de ‘zelfevaluatie’, waarmee getoetst wordt aan de kwaliteitscriteria, bij alle
    omgevingsdiensten periodiek wordt uitgevoerd.
  3. Meer uniform werken
    De verzamelde data laten een grote spreiding zien in de uitvoering van taken door omgevingsdiensten. Dit is een risico voor het level playing field voor bedrijven, bescherming van burgers en de leefomgeving en de aanpak van regio-overstijgende problemen, zoals de energietransitie, de aanpak van milieucriminaliteit en het terugdringen van de emissies van Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS).

    SSPS/TG adviseert:
    • het Rijk, IPO en VNG om in een gezamenlijk programma een meer uniforme aanpak vast te leggen die moet leiden tot een kleinere spreiding in de uitvoering. Dit geldt voor in ieder geval de volgende onderwerpen:
    • inzet bestuurs- en strafrecht;
    risicogericht toezicht;
    • melden van ongewone voorvallen;
    • actualiteit van vergunningen;
    • informatie-uitwisseling en digitalisering van werkprocessen;
    • ruimte voor kennisontwikkeling.
  4. Landelijke normfinanciering
    De bestaande financiering van omgevingsdiensten is divers en bestaat veelal uit financiering op basis van regionale kengetallen per inrichting. De Adviescommissie VTH beveelt aan om een landelijke normfinanciering te
    ontwikkelen.

    SPPS/TG adviseert:
    • provincies en gemeenten om de financiering van de omgevingsdiensten op te bouwen volgens een vast, landelijk uniform en herleidbaar stramien en hierbij een duidelijk onderscheid te maken tussen budgetteren en
    programmeren;
    • het ministerie van IenW, IPO en VNG om een minimumnorm vast te stellen voor de uitvoering van het basistakenpakket die vervolgens de grondslag dient te vormen voor adequate financiering van de omgevingsdiensten.
  5. Visitatie
    Het eindrapport van de Adviescommissie VTH doet de algemene aanbeveling om de uitvoering van VTH-taken beter te borgen. De commissie spreekt de voorkeur uit voor de introductie van een ‘stresstest’ voor omgevingsdiensten die onder regie van de ILT uitgevoerd zou moeten worden. In de VTH-onderzoeken van 2017 en 2019 is als aanbeveling opgenomen om onderlinge visitatie uit te voeren, zodat omgevingsdiensten ook van elkaar kunnen leren. Combinatie van stresstest en onderlinge visitatie ligt voor de hand.

    SPPS/TG adviseert:
    • IPO en VNG een visitatiemethodiek te introduceren, gericht op continue verbetering, met duidelijke vastgelegde afspraken over frequentie, diepgang, openbaarheid en verantwoording. Het uitvoeren van een stresstest kan gecombineerd worden met de visitatie.
  6. Tweejaarlijkse ‘staat van de omgevingsdiensten’
    SPPS/TG adviseert:
    • de overkoepelende bestuurlijke partners binnen het VTH-stelsel en het ministerie van IenW om tweejaarlijks een ‘staat van de omgevingsdiensten’ uit te brengen waarin gerapporteerd wordt over de prestaties en de verbeteracties van de omgevingsdiensten op individueel en op landelijk niveau. Ook de resultaten van de visitaties en van de zelfevaluaties kunnen hierin een plek krijgen;
    • het ministerie van IenW op termijn te beoordelen of dit een rol kan gaan spelen in het IBT.
  7. Bestuurlijk versterken van collectiviteit, landelijke coördinatie en harmonisatie
    SPPS/TG adviseert:
    • IPO en VNG te overwegen om een ‘bestuurlijk beraad omgevingsdiensten’ (naar voorbeeld van het Veiligheidsberaad) te starten waarin bestuursleden van de omgevingsdiensten zijn vertegenwoordigd. Doel van een dergelijk ‘beraad’ is de afstemming tussen omgevingsdiensten te bevorderen en als aanspreekpunt voor het Rijk te fungeren;
    • VNG en IPO een uitvoerende rol aan Omgevingsdienst NL te geven met het oog op het bevorderen van
    onderwerpen als collectiviteit, landelijke coördinatie en uniformiteit onder regie van genoemd bestuurlijk beraad;
    • het ministerie van IenW een actieve en ondersteunende rol te laten vervullen bij het realiseren van deze nieuwe rol van Omgevingsdienst NL, ten minste voor de periode tot 2030.
  8. Registreren en verzamelen data
    De verzamelde data in dit onderzoek moeten met de nodige voorzichtigheid beoordeeld worden; het blijkt dat een aantal vragen niet voldoende eenduidig is beantwoord. In een aantal gevallen ligt de oorzaak daarvan in een onvoldoende heldere vraagstelling. Dit is een belangrijke les voor het VTH-onderzoek over 2022 dat in 2023 zal worden uitgevoerd.

    SPPS/TG adviseert:
    • het ministerie van IenW om in het onderzoek over 2022 uit te gaan van de nu gehanteerde vragenlijst, maar de
    vragen wel specifieker te maken;
    • Omgevingsdienst NL om met de omgevingsdiensten afspraken te maken over een uniforme registratie van
    gegevens.

Zie ook:

Categorieën:VTH-Stelsel milieu

Tagged as:

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s