Omgevingsdiensten: onafhankelijk functioneren, niet onafhankelijk zijn

Omgevingsdiensten moeten toezicht en handhaving onafhankelijk uitvoeren, maar er kan geen sprake zijn van onafhankelijke omgevingsdiensten. Dit is het resultaat van een discussie tussen de ministeries van BZK en I&W over de aanbevelingen van de commissie-Van Aartsen.

De commissie schreef eerder dit jaar het rapport Om de leefomgeving. Omgevingsdiensten als gangmaker voor het bestuur” over het stelsel van vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH). In de kabinetsreactie op de aanbevelingen zijn wijzigingen afgedwongen door het ministerie van BZK, blijkt uit een openbaar gemaakte beslisnota. BZK vindt dat onafhankelijke omgevingsdiensten niet passen in het Nederlandse bestuurlijke stelsel.

“De omgevingsdiensten vallen onder het gezag van de gemeente en zijn daarmee per definitie niet onafhankelijk. Onafhankelijkheid verhoudt zich ook niet tot het principe van verlengd lokaal bestuur. De omgevingsdiensten worden steeds verder van de gemeenteraad en de politiek gepositioneerd. Nu omgevingsdiensten onder gemeenten vallen, kunnen zij niet boven de gemeenteraad (als volksvertegenwoordigers) worden gepositioneerd. Dit is strijdig met het idee van de hoofdschap van de gemeenteraad (artikel 125 Gemeentewet) en het idee van verlengd lokaal bestuur.”

De ambtenaren van I&W pasten de brief aan, demissionair staatssecretaris Van Weyenberg (I&W) ging hiermee akkoord: 

“Prima, want dat was kern van onze zorg en die van Cie v Aartsen: dat in uitvoering niet onafhankelijk en dus bv op momenten onvoldoende doorzettingsmacht OD’s als men wilde gaan handhaven.”

Controle

Volgens Van Weyenberg is versterking van de onafhankelijkheid van het toezicht en de handhaving noodzakelijk om de effectiviteit en slagvaardigheid van het stelsel te vergroten, binnen het bestaande stelsel:

“Vanzelfsprekend bepaalt het bevoegd gezag via haar beleid de prioriteiten van de omgevingsdiensten, maar in de uitvoering van haar taken op het gebied van toezicht en handhaving moeten omgevingsdiensten tegelijkertijd onafhankelijk kunnen opereren. Hierop moet natuurlijk ook democratische controle kunnen plaatsvinden via de gemeenteraden en provinciale staten. Dit betekent dat als het college van BenW dan wel gedeputeerde staten gebruik wil maken van de ruimte om een aanwijzing aan een omgevingsdienst te geven, zij dit meldt aan gemeenteraad of provinciale staten. Op die manier is de democratische legitimiteit van het besluit meteen geborgd. Dit is in lijn met de relatie tussen Rijk en de rijksinspecties. Graag wil ik samen met provincies en gemeenten een voorstel formuleren hoe dit ook op decentraal niveau precies ingericht wordt.”

Heffingsambtenaar

Een optie is dat de positie van de directeur van een omgevingsdienst op een vergelijkbare manier wordt ingevuld als de functie van heffingsambtenaar in de belastingwetgeving. “Naar analogie daarvan kan via attributie de directeur van een omgevingsdienst aangewezen worden als handhavingsambtenaar met de bevoegdheid te beslissen over bestuurlijke strafbeschikking, lasten onder dwangsom, bestuurlijke boetes en bestuursdwang.”

Lees hier de kabinetsbrief, waarin ook wordt gereageerd op aanbevelingen over een uniform uitvoerings- en handhavingsbeleid en over het rijkstoezicht op omgevingsdiensten.

Zie ook:

Categorieën:VTH-Stelsel milieu

Tagged as:

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s