Cameratoezicht door gemeenten – Evaluatie wetswijziging artikel 151c Gemeentewet

Het cameratoezicht door gemeenten is sinds 2006 flexibeler geworden en de meeste betrokkenen vinden dat de wet niet opnieuw hoeft te worden aangepast. Dit blijkt uit de evaluatie die deze week is gepubliceerd. Er zijn wel suggesties gedaan voor veranderingen. Zo is er behoefte aan ‘permanent’ cameratoezicht en aan regels over de inzet van nieuwe technologie of slimme camera’s, zoals automatische gezichtsherkenning of kunstmatige intelligentie.

Gepubliceerd op 12 april 2022
Auteurs Sander Flight ism IO-Research

Opdrachtgever: WODC
97 pagina’s

Sander Flight (foto Robert Lagendijk)

Gemeenten kunnen sinds 2006 op grond van artikel 151c Gemeentewet cameratoezicht inzetten voor handhaving van de openbare orde. Dat wetsartikel is aangepast in 2016 om flexibel cameratoezicht mogelijk te maken. Vijf jaar na de wetswijziging is in opdracht van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) van het Ministerie van Justitie en Veiligheid een evaluatie uitgevoerd om de doeltreffendheid en effecten van flexibel cameratoezicht in de praktijk vast te stellen. De politie is echter de verwerkingsverantwoordelijke voor gemeentelijke camerabeelden: de Wet politiegegevens is van toepassing. De burgemeester bedient zich bij de uitvoering van het cameratoezicht van de onder zijn gezag staande politie.

Centrale vragen in de evaluatie zijn:

  • ‘Wat is de aard en omvang van het gebruik van flexibel cameratoezicht door Nederlandse gemeenten in de afgelopen 5 jaar en op welke wijze wordt hier vorm aan gegeven in de praktijk?
  • Is de inzet van flexibel cameratoezicht in lijn met de bedoeling van de wetgever (denk aan: noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit, verwerking, bewaartermijnen, beveiliging en informeren betrokkenen)?
  • Draagt flexibel cameratoezicht bij aan het (beter) handhaven van de openbare orde en eventuele andere doelen?

Aard en omvang
Naar schatting hebben tussen de 188 (53%) en 215 (61%) Nederlandse gemeenten cameratoezicht op grond van artikel 151c van de Gemeentewet. Ten tijde van het vorige landelijke onderzoek uit 2009 was dat 28 procent (120 van 431) van de gemeenten. Ruim een derde van alle responsgemeenten (35%) heeft de afgelopen vijf jaar besloten flexibel cameratoezicht toe te passen. De rest van de gemeenten heeft alleen vaste camera’s (23%) of zet helemaal geen cameratoezicht in (42%). De meeste gemeenten verwachten dat het aantal camera’s het komende jaar gelijk stabiel zal blijven of zal groeien. Het uitgaanscentrum van steden is de plek waar de meeste gemeentelijke camera’s staan. Daarna volgen specifieke plekken met overlast, winkelcentra en openbaarvervoerlocaties.

Beoordeling van noodzaak, proportionaliteit en subsidiariteit
In 2016 werd het verplicht om camera’s te verwijderen als de inzet niet langer noodzakelijk is in het belang van de handhaving van de openbare orde. Het onderzoek laat zien dat dit in de meeste gemeenten inderdaad gebeurt.

Kenbaarheidsvereiste
Gemeenten moeten voorbijgangers en omwonenden ook actief informeren over de camera’s, het zogenoemde ‘kenbaarheidsvereiste’. De meeste gemeenten doen dat door borden te plaatsen in of rondom het cameragebied, door publicaties in lokale bladen of op de website of door het zichtbaar ophangen van de camera’s zelf. Overleg met bewoners, bezoekers en ondernemers voordat de camera’s worden geplaatst, is minder gebruikelijk: een vijfde van de gemeenten doet dat structureel en de rest doet dat niet of niet altijd.

Taakverdeling gemeente en politie
De taakverdeling tussen gemeente en politie is onderwerp van discussie. De Nationale Politie heeft behoefte aan landelijke standaardisatie terwijl gemeenten juist in toenemende mate de behoefte hebben om lokale ‘gemeentelijke’ accenten te kunnen leggen – en ze zijn desnoods bereid daar een eigen gemeentelijke toezichtcentrale voor te bouwen en in te richten. De politie is echter de verwerkingsverantwoordelijke voor gemeentelijke camerabeelden: de Wet politiegegevens is van toepassing. De consequenties hiervan zijn echter nog niet overal doorgedrongen.

In bijna de helft van de gemeenten doet de politie een verzoek bij de gemeentelijke toezichtcentrale om camerabeelden te verkrijgen. Ook bij het rechtstreekse toezicht is de rol van de politie op lokaal en regionaal niveau heel verschillend ingevuld. De politie is in een kwart van de gemeenten met cameratoezicht (23%) fysiek aanwezig in de toezichtcentrale. In ruim een tiende van de gemeenten (12%) vult de politie de operationele regie op afstand in. In de rest van de gemeenten heeft de gemeente naar eigen zeggen zelf de regie over het toezicht (51%) of een particuliere beveiligingsorganisatie (5%). De rest heeft het nog anders geregeld (8%).

Technologische ontwikkelingen
‘Slim cameratoezicht’ staat nog in de kinderschoenen. Geavanceerde technologie, zoals automatische gezichtsherkenning en geluidsanalyse, worden nauwelijks ingezet. De redenen hiervoor zijn tegenvallende ervaringen tijdens experimenten, zorgen over privacy en gebrek aan politiek-bestuurlijk draagvlak.

Evaluaties van cameratoezicht
Over de afgelopen vijf jaar zijn 27 evaluatierapporten gevonden. De meeste rapporten concluderen dat camerabeelden waardevol zijn, maar slechts 2 van de 27 hebben het minimale niveau halen om valide en betrouwbare uitspraken te kunnen doen over de effecten van de camera’s. Gezien het feit dat de evaluaties van gebrekkige kwaliteit zijn is het de vraag in hoeverre dat klopt. De evaluaties met een hoge onderzoekskwaliteit zijn minder positief over cameratoezicht.

Effecten van wetswijziging
Dit onderzoek laat zien dat er meer overeenkomsten (besluitvorming, noodzaak, proportionaliteit en subsidiariteit alsmede taakverdeling politie en gemeente) dan verschillen zijn tussen flexibel en vast cameratoezicht.

Op twee punten heeft de ‘flexibilisering’ van het cameratoezicht na de wetswijziging echter wel degelijk veranderingen opgeleverd. In een deel van de gemeenten worden nu, zoals de bedoeling was van de wetswijziging, camera’s ingezet die snel verplaatst kunnen worden als de problematiek zich verplaatst. Het tweede verschil is de opkomst van kortdurend cameratoezicht. Ook dat stemt overeen met de uitgangspunten van de wetgever. De vraag of flexibel cameratoezicht bijdraagt aan de verwezenlijking van de doelen die gemeenten willen bereiken, kan op twee manieren worden beantwoord. Gemeenten zijn bereid de kosten (zowel in financieel opzicht als in termen van inperking van de privacy) te dragen. Anderzijds moet worden geconstateerd dat de empirische basis voor conclusies over effectiviteit ontbreekt.

Conclusies
Alles overziend, wordt geconcludeerd dat de wetswijziging van 2016 in goede aarde is gevallen. Cameratoezicht door gemeenten is flexibeler geworden en de meeste respondenten (90%) vinden dat de wet niet opnieuw hoeft te worden aangepast. Wel zijn er suggesties gedaan op drie thema’s:

  • Een aantal gemeenten pleit voor het mogelijk maken van ‘permanent’ cameratoezicht;
  • Er is bij veel gemeenten behoefte aan meer duidelijkheid over de rolverdeling tussen politie en gemeente, met name over de verwerkingsverantwoordelijkheid voor de camerabeelden;
  • Er is behoefte aan regelgeving op landelijk niveau inzake de inzet van nieuwe technologie of slimme camera’s, zoals automatische gezichtsherkenning of kunstmatige intelligentie

Zie ook:

Categorieën:Evaluatie

Tagged as: ,

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s