Archief | recensie RSS feed for this section

Toezicht als investeren in vernieuwing

22 Jun

Niet alleen ondernemingen maar ook markttoezichthouders hebben een nieuw business model nodig. Zij moeten investeren in verandering, de zittende macht uitdagen en ruimte maken voor nieuwe toetreders. Dit zei innovatie-expert Charles Leadbeater tijdens de conferentie “Innovation in Oversight / Oversight and Innovation“.

foto-17

Innovatie-expert Charles Leadbeater laat zich ook inspireren door Johan Cruyff

Met de conferentie vierde de Autoriteit Consument & Markt op 20 juni het 1-jarig bestaan. Het katoenen jubileum werd luister bijgezet met de opening door koningin Máxima. Op de agenda stond de vernieuwing van toezicht, inclusief de vraag hoe toezichthouders moeten omgaan met innovatie.

Undersight

Ben je de brandweerwagen of de rookmelder, was de keuze die Leadbeater aan zijn gehoor voorlegde. In zijn ogen is niet alleen “oversight” maar ook “undersight” nodig. Innovatie zit vaak in een klein hoekje. En dus moet een toezichthouder als de ACM op zoek naar de vernieuwers: “Get down to find them!”

Frustraties

Leadbeater pleitte voor “Regulation als public leaderschip”. Markttoezichthouders zouden de spirit van veranderaars binnen moeten halen. Hij wees er ook op dat verandering vaak daar begint waar consumenten gefrustreerd raken. En dus moeten toezichthouders frustraties stimuleren en consumenten mobiliseren.

Koningin Máxima had toen al een lans gebroken voor de versterking van de vraagkant van de markt: ‘Consumer empowerment’ is a necessary condition for well-functioning markets. For the full promise of financial inclusion to be realized, consumers need financial capability and protection.”

Dynamiek

De digitale transformatie maakt een nieuwe aanpak in regulering noodzakelijk, stelde Annet Aris, verbonden aan INSEAD. “Kun je toezicht houden op een bewegend doel“, was een dag later de titel van haar column in het Financieele Dagblad.

Moeten er bijvoorbeeld geen transatlatische regels komen? En kunnen we nog wel enkele jaren vooruit reguleren? Moet regulering nog steeds gericht worden op producten en diensten, of steeds meer op data?

Nudging

Eenvoud en gemak, dat is de richting waarin regulering zich moet ontwikkelen volgens Cass Sunstein, schrijver van de boeken “Nudge” en “Simpler”. Keuzes van mensen kunnen beïnvloed worden zonder ge- en verboden. Daartoe moet informatie bijvoorbeeld wel gemakkelijk vergelijkbaar zijn.

Sunstein was niet verrast door de mededeling dat in Nederland ook kritische geluiden klinken over nudging. Volgens de voormalig adviseur van president Obama dreigt deze ethische discussie nog wel eens “lost in abstraction” te raken. In de praktijk valt het reuze mee met het doembeeld van een Nanny State. Bij nudging mag geen sprake zijn van manipulatie; mensen behouden het recht zelf hun gedrag te kiezen. Sunsteins antwoord op de zorgen luidt: “volledige transparantie en democratische verantwoording”.

Maatregelen

Toezichthouders worden niet afgerekend op “nudging” maar op het aantal harde maatregelen zij hebben genomen, nuanceerde Sunsteins landgenoot Bill Kovacic. Volgens de voormalig voorzitter van de Federal Trade Commission moet de ACM zich vooral richten op marktfalen en zelf geen winnaars of verliezers in de markt aanwijzen.

Kovacic toonde zich positief over de fusie van drie toezichthouders tot ACM, maar noemde de combinatie van taken ook een “gok”, waarvan de bestemming onzeker is: “Synergie gaat niet vanzelf.” Ook het markttoezicht moet durven te experimenteren, evaluaties kunnen weer leiden tot nieuwe aanpassingen. “Innovatie is alleen mogelijk als we risico’s nemen.”

 

Proefschrift Meike Bokhorst: toezichthouder moet ruimte bieden

4 Jun

Open normen en doelregelgeving kunnen alleen tot minder regeldruk en meer draagvlak leiden als toezichthouders meer ruimte geven. Dit is een van de boodschappen in het proefschrift ‘Bronnen van legitimiteit‘ van Meike Bokhorst.

foto proefschrift meike bokhorstBokhorst promoveerde onlangs op “de zoektocht van de wetgever naar zeggenschap en gezag” en houdt daarbij ook een spiegel voor aan toezichthouders. Zij constateert dat open normen en doelregels worden gebruikt om regeldruk te verminderen, maar dat die in de praktijk juist leiden tot nadere voorschriften. “In plaats van vooraf te reguleren door middel van wetgeving laat de overheid de normstelling vrij, maar reguleert wel achteraf door middel van toezicht op het eindresultaat.” Er komen gedetailleerde toezichtkaders om naleving te bevorderen en vooral iedereen gelijk te behandelen.

“Inspecties zoals de IGZ en marktautoriteiten zoals de ACM hebben als taak op zich genomen om met het veld algemene regels nader in te vullen of zelf beleidsregels te ontwikkelen.”

Doelvoorschriften hebben alleen zin als de “geadresseerden” de gelegenheid krijgen om de norm zelf in te vullen. Zij zouden dan ook meer ruimte moeten krijgen maar ook meer ruimte moeten opeisen, vindt Bokhorst. Ze verwijst naar onderzoek waaruit blijkt dat organisaties niet erg geneigd om zelf open normen in te vullen:

“Ze stellen zich volgzaam en afhankelijk op, omdat ze denken dat d eoverheid bevoegd is tot het stellen van nadere regels, omdat de overheid over machtsmiddelen beschikt(zoals last onder dwangsom of publicatie op internet), omdat organisaties bang zijn voor reputatieschade bij problemen met de overheid of omdat ze uitgaan van de inhoudelijke deskundigheid en het gezag van de toezichthouder.”

Als alternatieve reguleringsstijlen zoals “coregulering” niet werken heeft dat niet alleen gevolgen voor de ervaren regeldruk, maar ook voor de legitimiteit, voor de acceptatie van normen. Regels kunnen aanvaard worden omdat ze democratisch zijn vastgesteld, maar er zijn ook andere manieren om tot draagvlak te komen. Bijvoorbeeld door groepen zelf te laten meewerken aan de normen. Of door gezaghebbende politieke, religieuze of maatschappelijke leiders in te zetten.

Het is een kwestie van wetgevingsbeleid hoe alternatieve stijlen van regulering worden gebruikt. Bokhorsts eerste stelling stemt niet optimistisch: “Anno 2014 is het Nederlandse wetgevingsbeleid op sterven na dood.”. Ook het politieke debat vindt ze teleurstellend:

“Er is alleen nog een kwantitatief debat over de lasten en de druk die regels veroorzaken en er is niet of nauwelijks een meer fundamentele discussie over het type normstelling dat we wel legitiem vinden.”

Het wetgevingsbeleid zou niet alleen oog moeten hebben voor de kwaliteit van wetten en de “effectiviteit van publieke doelrealisatie”, maar ook voor “de legitimiteit van de gekozen maatschappelijke verantwoordelijkheidsverdeling”, aldus de wetenschappelijk medewerker van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. Als de wetgever maatschappelijke organisaties inzet bij het stellen van normen, kunnen ook “legitimiteitseisen” worden gesteld, bijvoorbeeld over de medezeggenschap.

Ministeries zijn voor draagvlak niet volledig afhankelijk van vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties. Zij kunnen ook rechtstreeks in contact treden met betrokkenen, bijvoorbeeld door het organiseren van focusgroepen of openbare hoorzittingen. Ook internetconsultaties kunnen een bredere groep van belanghebbenden bereiken.

Lees hier het persbericht van de Universiteit van Tilburg: Nederlandse wetgever zaait zeggenschap maar oogst nieuwe legitimiteitsproblemen

Paul van Dijk

%d bloggers liken dit: