Toezichthouders moeten zelf initiatief nemen in discussie over buitenwettelijk toezichtí

10 Jan

Twee promovendi hebben het met elkaar aan de stok gekregen over buitenwettelijk toezicht. Frank ’t Hart stelde onlangs in zijn proefschrift dat toezichthouders terughoudend moeten zijn met toezicht op onwenselijk maar legaal gedrag Aute Kasdorp belicht in een opinieartikel in het FD de andere kant van de medaille.

“Van een moderne toezichthouder verwachten we dat hij niet alleen handhaaft, maar ook helpt actuele maatschappelijke problemen in zijn domein aan te pakken, zoals de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid al in 2013 constateerde. Ook verwachten we dat hij zich daarbij niet altijd verschuilt achter een tekortschietende wet. Soms zal dat betekenen: de mensen waarschuwen. Soms betekent het: de wetgever een duw geven en soms betekent het een bank een duw geven.”

Kasdorp, die werkt aan een proefschrift over buitenwettelijk toezicht, tekent daarbij wel aan dat toezichthouders transparanter moeten worden over hun buitenwettelijke activiteiten. Ook moeten ze grenzen in acht nemen. Hij suggereert een “bredere dialoog” over buitenwettelijk toezicht. De AFM moet zich bijvoorbeeld niet opstellen als “het orakel aan de Vijzelgracht”

Paul Fentrop schrijft op dezelfde dag in hetzelfde FD:

“De scheiding van moraliteit en overheid (kerk en staat) zit in de Nederlandse cultuur niet ingebakken. Daarom moeten we blijven herhalen: wat niet mag, bepaalt de wet en handhaaft de overheid. Wat wenselijk is, bepalen mensen zelf. Die kalibreren de wet met hun eigen moreel kompas, maar kunnen een ander daarmee niet sturen.”

De discussie dient voor toezichthouders een teken aan de wand te zijn: er is werk aan de winkel. De standpunten van ’t Hart en Fentrop laten zien dat “buitenwettelijk toezicht” tenminste omstreden is. De redenering van Kasdorp biedt een uitweg: een bredere discussie over wat we wel en niet van toezichthouders (mogen) verwachten.

Toezichthouders doen er verstandig aan om zelf het heft in handen te nemen en de dialoog te starten. Zij kunnen zelf transparanter worden, zelf grenzen stellen, zelf werken aan draagvlak voor hun aanpak. Doen zij dat niet, dan zullen rechter en politiek in de verleiding komen om te normeren. Er ligt een schone taak voor de Inspectieraad en het Markttoezichthoudersberaad…

Paul van Dijk

Advertenties

Vakkundige toezichthouders hebben drive en moeten een leven lang leren

21 Dec

Op 29 november 2017 kwamen de ondernemingsraden van de inspecties bij de FIOD in Utrecht bij elkaar om te spreken over vakmanschap en verbinding. In het ochtenddeel was een interessante line-up van sprekers. Rob Velders doet verslag.

Where to go en how to go
De aftrap was van gastheer en directeur van de FIOD, Hans van der Vlist. Zijn dienst heeft een onderzoek laten uitvoeren onder de medewerkers naar wat volgens hen het doel (where to go) van de FIOD is. Gelukkig bleek men daarover in ruime mate gelijk te denken (>80% allignment): effect sorteren, compliance bevorderen, samenwerken en afpakken van crimineel vermogen.

Daarentegen bleken er grote verschillen van inzicht over de vraag hoe die doelen te bereiken (how to go). Na interne discussie werd vastgesteld dat het gaat om professionaliteit van de medewerkers, het zijn van een lerende organisatie en het gericht zijn op technologische ontwikkeling. Dit alles dient gecombineerd te worden met dienend leiderschap van het management en ondernemerschap bij de medewerkers.

Je koopt als inspecteur je vrijheid door goed te zijn
Wetenschapper Matthieu Weggeman verzorgde een boeiend betoog over vakmanschap en de inspecteur van de toekomst. Volgens hem is 80% van de medewerkers een professional; iemand die vakdeskundig is en liever iets goed doet dan fout. Deze mensen verdienen ruimte en vertrouwen en moeten worden gestuurd op output. Als die output te ambitieus wordt gesteld dan dreigt burn-out. Als het juist te weinig uitdagend is dan dreigt bore-out.

Bazen die niet uit het vak afkomstig zijn, produceren meer bore-outs en burn-outs omdat ze niet goed kunnen beoordelen wat tussen die twee in ligt; inspecteurs hebben dus vakdeskundige chefs nodig. “

Waar vakdeskundigheid bij managers ontbreekt ontstaat vanzelf een regelneef die werkt op basis van regels en input.”

Zo verbaasde Weggeman zich over de benoeming van Wouter Bos als leidinggevende van een ziekenhuis in Amsterdam. Hij had dan wel de overstroming als crisismanager uitstekend geleid, “maar het ziekenhuis staat meestentijds niet onder water en een serieuze gesprekspartner voor de artsen kan hij niet zijn”.

Professionals hebben behoefte aan managers die durven te differentiëren. En aan een duale ladder: goede inspecteurs moeten kunnen groeien in hun vak tot expert, met bijbehorend hoog salaris, maar zonder per se manager te hoeven worden. Nu ontbreekt dat perspectief bij de meeste inspecties.

WeggemanKenniswerkers kenmerken zich door een hoge opleiding en voortdurende bijscholing om up-to-date te blijven. Maar: niet iedere kenniswerker is een professional en andersom geldt dat ook niet automatisch. Indien het wel samenkomt in een inspecteur dan gaat kwaliteit vóór kwantiteit en resultaat vóór regels en procedures. Bij deze mensen is de liefde voor het vak groter dan de liefde voor geld, efficiency en vrije tijd.

Van de resterende 20% van de medewerkers is driekwart “ex-prof”. Die mensen kunnen het niet zo goed (meer). Voor deze mensen zijn leerprogramma’s nodig. De laatste 5% betreft mensen die het niet (meer) willen. Zij werken uitsluiten voor het geld en bij hen zijn dan ook strakke planning, control, sturing, regels en procedures nodig.

Weggeman hield een warm pleidooi voor een collectieve ambitie, zoals bij de FIOD. Die geeft  richting aan de ambities en energie van de professionals binnen de organisatie. Voor de inspecteur van de toekomst gelden volgens Weggeman de volgende criteria:

  • professionele attitude
  • mission-driven
  • blijven leren en een uitdagend werkpakket
  • kennis delen en samenwerken
  • goed zijn in het vak
  • een wenkend carrièreperspectief hebben
  • gestuurd worden op output

Weggeman constateerde dat de ruimte voor de professionele toezichthouder impliceert dat de inspecties de politiek vaker moeten durven tegenspreken als iets niet kan of niet zinvol is. Dat is iets anders dan weten hoe de hazen in Den Haag lopen. Blinde loyaliteit en de minister “uit de wind houden” leveren geen vernieuwing op.

Ruimte om te werken binnen een bandbreedte
Marc Kuipers, IG van de Inspectie SZW, reageerde direct op de suggestie van Weggeman. Tegenspreken is juist een teken van loyaliteit: altijd meebuigen kan voor de korte termijn loyaal lijken, maar neemt onderliggende problemen niet weg. En dat kan juist voor veel grotere ellende zorgen en is dus allesbehalve loyaal.

“Dat vraagt dapperheid en stevigheid. Met respect je positie verwoorden kan en moet altijd en is juist een teken van loyaliteit.”

Vervolgens benadrukte Kuipers het belang van de gezamenlijke verantwoordelijkheid van management en inspectie-medewerkers over de uitvoering van het werk en het realiseren van doelstellingen. Daar mag een bandbreedte aan inzichten en werkwijzen zijn.

“We zijn immers allemaal mensen en hebben die ruimte nodig. Maar het is van belang om dan wel binnen die marges te blijven en verantwoording af te leggen”.

Na jaren van bezuinigen en continu redeneren dat die bezuinigingen echt kunnen zonder dat het werk en de resultaten daar onder zouden leiden, heeft de I-SZW van het nieuwe kabinet een verruiming van het huidige budget van 100 miljoen naar 150 miljoen toegekend gekregen. Naar de mening van Kuipers kan nu vol ingezet gaan worden op de kracht en realisatie van een gezamenlijke missie.

Ook signaleerde Kuipers het belang van mixed teams van (digitale) jongeren en (oude) “analogen”. Digitale vaardigheden zullen meer gevraagd worden dan in het verleden, maar analoge deskundigheid, waaronder het bekende “onderbuikgevoel” zal altijd nodig blijven.

Je kunt maximaal drie veranderingen per jaar vragen
Na de pauze ging Ronnie van Diemen in op het belang van opleiden, ontwikkelen en vakmanschap. Zij begon met de stelling dat gedurende haar hele carrière als kinderarts, wetenschapper, bestuurder en toezichthouder één vraag centraal staat: is dit de zorg die je je naaste wenst?

Een belangrijke boodschap van Van Diemen was dat elke inspecteur vanuit vakmanschap met andere ogen naar de werkelijkheid kijkt dan bijvoorbeeld de samenleving, politiek, media, patiënten, zorgverzekeraars of artsen.  Dat leidt tot de constatering dat er verschillende werkelijkheden zijn en dat moeten inspecteurs zich realiseren. En de ontwikkelingen in de zorg en elders gaan razendsnel. Dat vergt ook een leven lang leren van de toezichthouders.

De maatschappij verandert en het toezicht moet mee veranderen. Dat heeft effect op de visie, inhoud, proces, mensen, middelen van de inspecties en vraagt dus een groot verandervermogen.

Schema veranderen
Wezenlijke veranderingen vergen vaak wel veel tijd. Het is Van Diemen gebleken dat het eigenlijk niet mogelijk is om meer dan drie wezenlijke veranderingen per jaar te verwachten. Vaak schieten veranderingen namelijk na verloop van tijd weer terug in het oude spoor.

Ze steunt de opleidingen die door de Inspectieacademie worden aangeboden

  • startende inspecteur
  • strategisch toezicht
  • professie en verdieping

Ook de komst van rijkstrainees en de ABD-app horen in dit traject.

De uitdagingen die er liggen:

  • meerwaarde bewaren en het optimaal benutten van heterogene groepen;
  • werken met docenten, trainers en begeleiders uit het primaire proces van de eigen inspecties;
  • verbinden van het primaire proces met vakgebieden, leren en ontwikkelen, HRM en organisatie-ontwikkelingen. Alleen in samenhang is het mogelijk betekenisvolle activiteiten te ontwikkelen.

Het spanningsveld in de huidige tijd schuilt in de professionaliteit ten opzichte van heersende systemen. Hiervoor is bij de IGJ in juni van dit jaar een dialoog over verdere professionalisering gestart. Het is dus zaak om niet terug te vallen en voort te gaan op de ingeslagen weg. Ze eindigde met de vraag aan alle Ondernemingsraden:

“Welk verandervermogen heeft jullie inspectie?”

Workshops
In het resterende deel van de middag werden er workshops verzorgd. Door Carin Benders over inspectiewerkwijzen. Door Jan Bos over uitwisseling van inspecteurs. En door ondergetekende over de code voor goede inspecteurs de consequenties daarvan voor de inspecties door ondergetekende.

Rob Velders

Pleidooi voor terughoudendheid bij toezicht op onwenselijk gedrag

14 Dec

Een toezichthouder dient terughoudend te zijn in het bestrijden van gedrag dat onwenselijk maar wettelijk toegestaan is. Dit schrijft Frank ’t Hart in zijn dissertatie  over de zorgplicht bij financiële dienstverlening, die hij op 21 december verdedigt aan de Universiteit van Amsterdam. 

De promovendus constateert dat toezichthouders zich steeds meer richten op het voorkomen of bestrijden van onwenselijk gedrag, ongeacht of dit gedrag verboden is. “Centraal staat het onwenselijke gedrag en niet zozeer de naleving van wetgeving”. Deze visie kan ervoor zorgen dat ondernemers aan meer verplichtingen moeten voldoen dan de wet eist.

Volgens ’t Hart is deze aanpak niet per se “zorgelijk”, als maar wordt voldaan aan een aantal voorwaarden:

  1. De toezichthouder moet terughoudend zijn in het bestrijden van onwenselijk maar rechtens toelaatbaar gedrag en niet een apart stelsel aan normen in het leven roepen die te ver verwijderd is van de wettelijke normering.
  2. De toezichthouder dient zich voorspelbaar en magistratelijk op te stellen.
  3. De rechtspositie van de onder toezicht staande financiële onderneming moet adequaat worden beschermd. “De verhouding tussen toezichthouders enerzijds en onder toezicht staande financiële ondernemingen anderzijds mag niet zodanig worden verstoord dat het machtswoord van de toezichthouder in plaats van het argument komt te regeren.”
’t Hart constateert bijvoorbeeld dat druk wordt uitgeoefend op financiële ondernemingen om het belang van de klant centraal te stellen, “ongeacht of zulks juridisch verplicht is”. Ook wijst hij op het de zogenaamde informele handhavingsinstrumenten, waaronder  beïnvloeding van de publieke opinie. Daardoor voelen financiële ondernemingen zich gedwongen “om te handelen overeenkomstig de wens van hun toezichthouder, ongeacht of daartoe een wettelijke verplichting bestaat”.
Klik hier voor meer informatie.

ILT gooit het roer helemaal om

9 Dec

Op 27 november presenteerde inspecteur-generaal Jan van den Bos van de Inspectie Leefomgeving en Transport aan genodigden de eerste plannen inzake de nieuwe Koers ILT 2021. Rob Velders was erbij en doet verslag:

Van den Bos heeft na zijn aantreden als IG een SWOT-analyse laten uitvoeren via interviews met externen. De uitkomst daarvan viel niet mee. Ook enkele recente rapporten van de Onderzoeksraad voor de Veiligheid (“Hadden wij het OVV-rapport over Schiphol niet zelf moeten schrijven?”) kraakten harde noten over de ILT. Deze ervaringen hebben geleid tot het besluit om het roer helemaal om te gooien en een nieuwe koers te gaan varen.

Sleutelwoorden daarbij zijn “informatie-gestuurd”, “risico-gericht” en “open”.

De ILT zet in op het bereiken van effecten. Ook moet de dienst- en vergunningverlening moderner, transparanter en realistisch geprijsd zijnDe verandering zal in fases verlopen, terwijl de winkel open blijft.

Inhoudelijk richt de ILT zich op maatschappelijke problemen waarbij de toezichthouder een zichtbare bijdrage aan de oplossing wil leveren. In het proces zullen medewerkers en midden-management nadrukkelijk worden betrokken.

De ILT heeft een organisatiebrede risico-analyse (IBRA) uitgevoerd. Voor 2018 zijn zes prioritaire programma’s in het Meerjarenplan-nieuwe-stijl vastgesteld: bodem, grond- en oppervlaktewater, afvalstoffen, marktverstoringen in het goederenvervoer op de weg, productielabels, ozonafbrekende en klimaatschadelijke stoffen en uitstoot of lozing van gevaarlijke stoffen door schepen. Er komt een speciaal programma voor Schiphol alsmede een verkenning naar “vertrouwen in instituties”.

De ILT wil zaken multidisciplinair aanpakken, waarbij de luiken veel meer dan voorheen open gaan. Daarbij zullen nieuwe inzichten en data-analyses worden gebruikt.

Ook de structuur en cultuur van de ILT gaan op de schop: adaptief, wendbaar, met ruimte voor specialistische kennis. Er komen nieuwe directies: Informatie en programmering, Vergunningverlening, Autoriteit Woningcorporaties, Veiligheid en instituties, Duurzaamheid en Bijzondere Opsporing alsmede de directie Buitenwereld en bestuur en Inspectieondersteuning en control. Het midden-management moet bestaan uit mensen die verstand hebben van de inhoud en daarover dus het gesprek kunnen aangaan met hun inspecteurs.

Yvonne Verzijden gaf een boeiende toelichting op de IBRA-risicoanalyse. Ze benoemde het probleem om welhaast onvergelijkbare grootheden tegen elkaar af te zetten. Immers, de ILT is een verzameling van fusies met een daaruit voortvloeiende veelheid aan taken. Er zijn dilemma’s: waar zitten de grootste risico’s, wat zijn we verplicht om te doen en wat is – maatschappelijk gezien – het goede om te doen? En als we weten wat de belangrijkste maatschappelijke schades zijn, hoe is dan onze huidige inzet op die thema’s? Vergeleken met de feitelijke inzet van de ILT is die verhouding er niet of nauwelijks. Met de IBRA is een eerste stap gezet, nu wordt een verbeteragenda opgesteld.

Arnold van Vuuren (foto) ging dieper in op de programma’s en handelingsperspectieven van de ILT. Hij gaf daarbij een beeldend inkijkje in de eerste en veelbelovende resultaten van de data-analyses. Een ambitie is om (geld)stromen inzichtelijke te maken, maar ook om gedragingen te voorspellen

Kortom, een nieuwe koers met nog veel onzekerheden, maar wel een koers die naar het gevoelen van de ILT én van de aanwezige externen, ambitieus én veelbelovend is.

Rob Velders

Hoe houden we toezicht op wat we niet begrijpen?

18 Nov

Hoe houden we toezicht op iets wat we soms in de kern niet helemaal zelf begrijpen? Deze vraag kwam aan de orde tijdens de VIDE-bijeenkomst “Science Fiction of toezicht?”. Op 22 november wordt het Nieuwspoort Seminar gewijd aan toezicht en techniek.

Computers die beslissingen van artsen overnemen, robots die medische ingrepen verrichten, patiëntenportalen, het electronisch patiëntendossier, online artsen, toezicht op afstand op behoevende mensen, software die over de aan- en verkoop van aandelen beslist, cryptomunten, crowdfunding, online internationaal producten kopen, websites die je financiële situatie beoordelen. En ga zo maar door. Innovaties die de afgelopen jaren grootschalige toepassing hebben gevonden en nog maar het begin zijn van wat ons de komende tijd staat te wachten. En waar de toezichthouders dus iets van moeten vinden. Hoe doen zij dat?

In een goed bezochte en zeer boeiende VIDE-bijeenkomst – “SF of toezicht” – op 16 november gaven Reinier Pollmann van de AFM en Johan Krijgsman van de IGJ inzage in hoe hun organisaties omgaan met technologische ontwikkelingen en het toezicht daarop.

Kleine aanpassingen

Krijgsman prees de wetgever die – al dan niet bewust – de regels inzake medische producten en het gebruik op zodanige wijze heeft geformuleerd dat nieuwe ontwikkelingen er tamelijk gemakkelijk onder te vatten zijn. Slechts kleine aanpassingen zijn nodig gebleken en die zijn inmiddels, in Europees verband, in 2020 van kracht. Dit is het filmpje dat Johan liet zien: https://www.youtube.com/watch?v=RyMoJHf7rCQ

De IGJ io ziet steeds meer nieuwe initiatieven en toepassingen. De toezichthouder ziet ook dat die al heel snel “gewoon” worden, zoals patiëntenportalen. Door de vernieuwing ziet men een verandering ontstaan in de relatie tussen de patiënten en de medici: de patiënt wordt door alle beschikbare kennis veel mondiger en artsen worden meer een coach.

E-haelth is balanceren voor de toezichthouder

Maar innovaties brengen ook nieuwe bedreigingen met zich mee; fenomenen als ransomware, de handel in big data, privacy, betrouwbaarheid, “overzorg” voor bijvoorbeeld gezonde baby’s, het feit dat niet iedereen in staat is mee te gaan met de modernisering, de dreiging van banenverlies, nep-producten.

“E-health is balanceren” stelt Krijgsman. “De IGJ wil innovaties niet ontmoedigen, maar moet wel letten op de veiligheid voor de patiënt. Dat is soms een worsteling, zeker als een bepaalde toepassing al een groot succes wordt terwijl de veiligheid nog onvoldoende is aangetoond.”

Intern draagvlak en extern succes

De AFM wil technologische innovatie accommoderen zolang die bijdragen aan duurzaam financieel welzijn. Voor de AFM spelen drie vragen als het gaat om innovaties:

  • Wordt een eerlijk en volledig inzicht verschaft?
  • Wanneer gaat “neutraal” presenteren (over bijvoorbeeld iemands financiële situatie) over in advies?
  • Zijn algoritmes deskundig?

Reinier Pollmann ging vooral in op de vraag hoe de AFM als organisatie up-to-date blijft. Er is een klein programmateam onder zijn leiding opgezet dat onder meer zoekt naar draagvlak en meerwaarde binnen de organisatie. Op allerlei ludieke en innovatieve manieren (bijvoorbeeld door QR-codes in de lift te hangen) wordt binnen de organisatie aandacht voor het programma gevraagd. En dat lukt. Bij de kickoff waren liefst 200 collega’s aanwezig.

Maar ook externe aandacht is van groot belang. Artikelen in de krant – en zelfs een keer de voorpagina van het FD – zijn waardevol, net als aandacht in tv-programma’s, in de Tweede Kamer en op internationale congressen.

Wel accommoderen, niet stimuleren

Tezamen met DNB heeft de AFM de zogenaamde InnovationHub opgezet. Dat is een initiatief voor innovatieve financiële producten. Maar volgens Pollmann moet dat vooral gezien worden als accommodatie en niet stimulering. “Dat heeft te maken met rolvastheid. EZ moet stimuleren, onze taak is het vooral dat het correct werkt”.

Door de diverse initiatieven en externe aandacht wil de AFM voorop blijven lopen. “Want voorop lopen betekent dat je geaccepteerd als gesprekspartner: we krijgen daardoor gezag.”

Rob Velders

Rob Velders is op 22 november een van de sprekers tijdens het Nieuwspoort Seminar “Toezicht in Transitie 2018” over  techniek en toezicht. Aanmelden is nog mogelijk. Dat kan hier.

Rekenkamer onderzoekt risicogericht toezicht

8 Nov

De Algemene Rekenkamer onderzoekt het risicogericht toezicht bij de NVWA en ILT. Dit schrijft het college in een brief aan de Tweede Kamer.

Bron: Algemene Rekenkamer

De Rekenkamer kondigde eerder aan om na te gaan welke vorderingen de NVWA heeft gemaakt bij het invoeren van risicogericht toezicht. 

“De NVWA heeft sinds haar oprichting de opdracht en de ambitie om méér risicogericht te gaan werken en de effectiviteit van het instrumentarium te versterken, en investeert daarvoor in kennismanagement. In 2013 merkten wij daarover op dat de invoering ervan werd belemmerd doordat de NVWA voor de meeste sectoren geen scherp inzicht heeft in de naleving van wet- en regelgeving.”

Voor de Rekenkamer is het risicogericht toezicht bij ILT en NVWA een van de thema’s de controle over 2017. De NVWA heeft ook de aandacht van oud-minister Winnie Sorgdrager en de Onderzoeksraad voor Veiligheid, in het kader van hun onderzoeken naar aanleiding van de fipronil-affaire. Lees meer.

Toezicht met rode vlag

6 Nov

In 1865 voerde Engeland een wet in om de destijds oprukkende automobielen te beteugelen. De op stoom aangedreven voertuigen mochten alleen stapvoets rijden. En ze moesten worden voorafgegaan door een wandelaar, om het andere verkeer te waarschuwen. Met een rode vlag…

Anderhalve eeuw later lezen we in het Nederlandse regeerakkoord:

“Wet- en regelgeving wordt gemoderniseerd zodat bedrijven met hun diensten en producten beter kunnen inspelen op maatschappelijke en technologische veranderingen.”

Wat wil het nieuwe kabinet? “Passende” regels. Regels met “ruimte”.  “Regelvrije zones”.

Het regeerakkoord voorziet bij deze modernisering geen rol voor de handhavers van de regels. Wel dienen rijksinspecties beter samen te werken. En markttoezichthouder ACM moet ruimte maken voor afspraken.

Ook zelf worden toezichthouders geconfronteerd met maatschappelijke en technologische ontwikkelingen. Er is toezicht óp drones, maar het kan ook mét drones. Uit een NSOB-publicatie:

“In reactie op de versnelling die de techniek oproept, moet het toezicht niet steeds sneller maar wel steeds slimmer kunnen opereren.”

Hoort bij dat slim opereren van toezicht niet ook een rol bij het moderniseren van regels?  Toezichthouders worden geacht om de naleving van bestaande regels te controleren, maar willen liever gekend zijn om het oplossen van problemen. Daartoe biedt het plan van het nieuwe kabinet kansen. Toezichthouders kunnen de functie vervullen die eerder werd bepleit door de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid: reflecteren. Hoe kunnen de regels worden verbeterd? Hoe kunnen zij ruimte bieden? En wanneer moeten we dat vooral niet willen? Door deze vragen te stellen én te (helpen) beantwoorden kunnen toezichthouders laten zien dat zij er niet zijn om problemen te maken, maar om problemen op te lossen.

Terug naar Engeland. Aan het eind van de negentiende eeuw werd de Red Flag Act alweer afgeschaft. En daarmee hoefde niemand meer met een vlag vooruit te lopen. 

De les voor Nederland? Laten we toch eens overwegen om een Rode Vlag in te voeren. In discussies over regels kunnen we wel lieden gebruiken die vooruit lopen. Om ons te waarschuwen voor bedreigingen maar ook om ons te wijzen op nieuwe kansen. De toezichthouder die dat in het komende jaar het beste doet, verdient volgend jaar de Rode Vlag!

Paul van Dijk

Op 22 november organiseert het Haags Congres Bureau het Nieuwspoort Seminar “Toezicht in Transitie 2018” over  techniek en toezicht. Aanmelden is nog mogelijk. Dat kan hier.

%d bloggers liken dit: