Tag Archives: beleid

Ondernemers en kabinet starten doorlichting van toezicht in vijf sectoren

2 okt

Er komt een doorlichting van toezicht in vijf sectoren: chemie, logistiek, financiële sector, horeca en uitzendwezen. Tijdens de Toezichttop aanvaardde minister Stef Blok het aanbod daartoe van ondernemersvoorman Hans de Boer. Voor de zomer van 2015 moeten er voorstellen liggen om het toezicht slimmer, effectiever en efficiënter te maken.

foto“Als toezicht er niet zou zijn, zouden jullie erom vragen”, hield De Boer zijn achterban voor. “Maar als het teveel wordt, slaat het verhaal om.” Hij hekelde “een wildgroei waar niemand blij van wordt”.

In het “Actieplan aan tafel” pleiten VNO-NCW, MKB-Nederland en LTO Nederland voor een “pragmatische aanpak”, waarin publiek-private werkgroepen verschillende toezichtsdomeinen doorlichten en waar mogelijk verbeteren. “Doel is om de publiek-private mix van instrumenten en prikkels verder te verbeteren.”

“Wij zijn de eerste om te zeggen dat we beter kunnen”, zei Jenny Thunnissen namens de Inspectieraad, het samenwerkingsverband van rijksinspecties. Maar zij voelt er niet voor om tegelijk met het beleid en bedrijven aan tafel te schuiven. “Rolvastheid is belangrijk.”

Minister Blok (Wonen & Rijksdienst), die minister Kamp (EZ) verving, toonde zich bereid met het bedrijfsleven samen te werken aan verbetering van toezicht. “We nemen het aanbod graag aan om in 5 sectoren te bekijken hoe toezicht slimmer, maar ook goed en betrouwbaar, kan worden ingericht.”

Advertenties

Schaduwstandpunt toezicht naar Tweede Kamer

29 sep

De ToezichtTafel heeft een schaduwstandpunt over toezicht aan de Tweede Kamer gestuurd. Op dinsdag 30 september staat de kabinetsreactie over “Toezien op publieke belangen” op de agenda van de procedurevergadering van de commissie voor Wonen en Rijksdienst. Lees hier onze bijdrage aan de discussie:

Aan de commissie voor Wonen en Rijksdienst
Tweede Kamer der Staten-Generaal
Postbus 20018
2500 EA Den Haag
Via cie.wr@tweedekamer.nl

Den Haag, 29 september 2014

Betreft: kabinetsreactie op WRR-rapport “Toezien op publieke belangen”

Geachte leden van de vaste commissie voor Wonen en Rijksdienst,

Graag vragen wij uw aandacht voor het schaduwstandpunt van de ToezichtTafel over het WRR-rapport “Toezien op publieke belangen”. Wij hopen hiermee een bijdrage te leveren aan de discussie over de kabinetsreactie, die op 12 september aan de Tweede Kamer is aangeboden en die op 30 september is geagendeerd in de procedurevergadering van uw commissie.

In dit schaduwstandpunt benoemen wij een aantal aspecten die naar ons oordeel uw aandacht verdienen. Het kabinet acht, in tegenstelling tot de WRR, een “herijking” van de rijksvisie op toezicht niet nodig. Wij denken daar anders over. Toezicht is te belangrijk om aan toezichthouders over te laten. Daarom zou het goed  zijn een rondetafelgesprek te organiseren.

Wij gaan hierna in op enkele – dus niet alle – belangrijke aspecten:

  1. Herijking van visie op toezicht
  2. Eisen aan toezicht
  3. Positionering en onafhankelijkheid
  4. Financiering
  5. Verantwoording
  6. Regeldruk
  7. Voorstel: rondetafelgesprek

1. Herijking van visie op toezicht

Het kabinet acht het niet noodzakelijk de rijksvisie te herijken “gegeven de actualiteit” van de kaderstellende visie op toezicht uit 2005. Wij plaatsen daarbij enkele kanttekeningen:

  • We kunnen niet zeggen dat het sinds 2005 rustig is rond toezicht. Ook dit jaar niet. Er is ophef over de aankondiging van bedrijfsbezoeken door de Inspectie Leefomgeving en Transport. Het functioneren van de Nederlandse Zorgautoriteit lag onder vuur, net als het toezicht op voedselbereiding (paardenvleesaffaire). Eind oktober verschijnt het rapport van de parlementaire enquetecommissie over woningcorporaties, waarin ongetwijfeld ook noten over toezicht worden gekraakt. De Nationale ombudsman hekelde zeer onlangs het gebrek aan onafhankelijkheid van rijksinspecties.
  • Er zijn in het rijkstoezicht tal van verschillen die niet zomaar verklaarbaar zijn. Rijksinspecties als IGZ en NVWA vallen onder ministeriële verantwoordelijkheid, markttoezichthouders als AFM en ACM zijn zelfstandige bestuursorganen. Ook de rolopvatting verschilt: veel toezichthouders zien het als hun missie om niet louter regels te handhaven maar problemen op te lossen (en bijvoorbeeld veiligheid te vergroten), maar een toezichthouder als de ILT neemt juist afstand van deze benadering.
  • In het afgelopen decennium hebben ministeries en toezichthouders zelf een antwoord gezocht op de vraag wat goed toezicht is. Het Markttoezichthoudersberaad publiceerde eigen criteria voor goed markttoezicht; een beleidsreactie bleef uit. De Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO/OECD) publiceerde dit jaar principes voor toezicht; onduidelijk is of die geacht worden te gelden in Nederland.
  • Inspecties en markttoezichthouders komen geregeld in lastige posities; stevige bezuinigingen en hoge verwachtingen gaan hand in hand. Na een incident worden toezichthouders ter verantwoording geroepen en klinkt een pleidooi voor meer toezicht. Zie in dit verband ook de analyse door de Algemene Rekenkamer van de ontwikkelingen bij de Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit.

De WRR vindt dat de kaderstellende visies op toezicht (uit 2001 en 2005) “op strategisch niveau” herijking behoeven. Het kabinet laat deze kans lopen, waardoor een aantal vragen onbeantwoord blijft. Hoe past de huidige visie op toezicht binnen het bredere overheidsbeleid (zoals het algemeen wetgevingsbeleid, het programma Risico’s en verantwoordelijkheden, de Hervormingsagenda rijksdienst)? Wat zijn de criteria van goed toezicht? Hoe zijn verschillen te verklaren? Wat hebben we in het afgelopen decennium geleerd?

De eerste aanbeveling van de WRR “Herijk de kaderstellende rijksvisie op toezicht” verdient het om omarmd te worden!

2. Eisen aan toezicht

Wat verwachten we van toezichthouders? De politiek zou deze vraag niet alleen moeten stellen na – weer – een incident. Regering en parlement dienen zich uit te spreken over de eisen aan toezicht. Wat is in hun ogen de rol van toezichthouders bij het oplossen van maatschappelijke problemen? Zijn ze het eens met de toezichthouders zelf?

Onze suggestie hierbij is om de luiken te openen. Ook buiten Nederland wordt nagedacht over regels en toezicht. Het is interessant de Nederlandse praktijk te toetsen aan OESO-principes.

Dit jaar zijn Best Practice Principles vastgesteld over Regulatory Enforcement and Inspections:

  1. Evidence-based enforcement
  2. Selectivity
  3. Risk-focus and proportionality
  4. Responsive regulation
  5. Long-term vision
  6. Co-ordination and consolidation
  7. Transparent governance
  8. Information integration
  9. Clear and fair process
  10. Compliance promotion
  11. Professionalism

Eveneens dit jaar publiceerde de OESO Best Practice Principles for the Governance of Regulators, over:

  1. Role clarity
  2. Preventing undue influence and maintaining trust
  3. Decision making and governing body structure for independent regulators
  4. Accountability and transparency
  5. Engagement
  6. Funding
  7. Performance evaluation

Regering en parlement zouden zich moeten uitspreken over de vraag wat zij van toezichthouders verwachten, mede in het licht van internationaal gehanteerde principes.

3. Positionering en onafhankelijkheid

In de ogen van het kabinet is onafhankelijkheid niet alleen een kwestie van “organisatorische positionering”, maar vooral ook van opstelling en houding. Terecht. Hiermee is de vraag van positionering niet minder relevant.

In de Nederlandse praktijk zien we grote verschillen, bijvoorbeeld tussen markttoezichthouders (zelfstandige bestuursorganen) en rijksinspecties (onder ministeriële verantwoordelijkheid). Het kabinet zegt later te komen met een standpunt over de mogelijke verankering van de onafhankelijke positionering in een ministeriële regeling. Is een regeling op wetsniveau niet passender?

Een belangrijke vraag, onlangs verder aangevuurd door het debat over de NZa, is hoe beleid en toezicht zich tot elkaar hebben te verhouden, ook in de praktijk. Het kabinet belijdt onafhankelijkheid, maar bepleit ook een “samenspel” tussen beleid en toezicht, vanuit een “gezamenlijke verantwoordelijkheid”. En de WRR breekt een lans voor ‘reflectief’ toezicht; toezichthouders moeten feedback geven om beleid te agenderen, voor te bereiden en te evalueren.

Ook de verhouding tot het parlement dient in beeld te komen. Komen kritische signalen van rijksinspecties en markttoezichthouders  (ongekuist) bij de Tweede Kamer? En welke opstelling kiest de Tweede Kamer zelf? Moet het parlement iets willen zeggen over prioriteiten, methodiek en casuïstiek?

Het kabinet laat het “samenspel” van beleid en toezicht over aan departement en toezichthouder, maar het zou goed zijn een bredere visie te ontwikkelen op de positie van toezicht in het staatsbestel, ook op de vraag welke opstelling en welk gedrag daarbij horen (van alle betrokkenen).

4. Financiering

Wie betaalt de toezichthouder? Het kabinet publiceerde dit jaar de notitie “Maat houden 2014”. Die notitie houdt bijvoorbeeld voor mogelijk dat alle kosten worden doorberekend aan een sector, zoals nu wordt voorgesteld in het financiële toezicht (op nationaal en Europees niveau). Het kabinet voelt niet voor het voorstel van de WRR om te bezien of doorberekening van kosten van toezicht kan stimuleren tot meer verantwoordelijkheid van “ondertoezichtstaanden”.

Er zijn vragen. Bijvoorbeeld, hoe voorkomen we dat de wijze van financiering invloed kan hebben op beslissingen van de toezichthouder (en mogen boetes ten goede komen aan de toezichthouder zelf)? Willen en kunnen we ervoor zorgen dat goede naleving ook rendeert qua kosten van toezicht? Hoe werkt het profijtbeginsel in verschillende sectoren? Hoe waarborgen we dat toezichthouders niet grenzeloos groeien, zonder de betrokken sector impertinente invloed te geven? Kan de ene sector meebetalen aan het toezicht van de andere sector? Hoe verhoudt ons Nederlandse beleid zich tot internationale principes?

Juist nu nieuw – nationaal en Europees – beleid wordt gemaakt voor de financiering van toezicht, is aandacht nodig voor de beginselen die daaraan ten grondslag dienen te liggen.

5. Verantwoording

Bij het reflectieve toezicht hoort in de ogen van de WRR ook dat er “adequate publieke verantwoording van toezichthouders” is. En een “passende verantwoordingsrelatie met het parlement”.

Waarover dienen toezichthouders zich te verantwoorden? Moet de verantwoording, bijvoorbeeld over opbrengsten en kosten, niet worden versterkt?

Het kabinet reageert niet op de aanbeveling van de WRR over “rechtstreekse interactie tussen inspecties/autoriteiten en het parlement”. Onlangs heeft het kabinet wel erkend dat het parlement  zelfstandige bestuursorganen zonder toestemming van de betrokken bewindspersoon kan uitnodigen.

Juist nu het kabinet een “soepeler omgang” voorstaat tussen zbo’s en parlement, zou den regering en parlement moeten vaststellen hoe zij de publieke verantwoording van toezichthouders gestalte willen geven.

6. Regeldruk

Burgers en bedrijven ondervinden niet alleen profijt maar ook lasten van toezicht. Zij hebben daarover – legitieme – zorgen.

Nederland profileert zich in Europa als pleitbezorger van verbeteringen in regelgeving, Frans Timmermans wordt commissaris voor “Better Regulation”. De kabinetsreactie maakt gewag van ambities om administratieve lasten te verminderen en wijst op het programma “Risico’s en verantwoordelijkheden”, maar verbindt daaraan geen consequenties voor de visie op regelgeving en toezicht.

Juist nu zou het goed zijn als een krachtige visie wordt ontwikkeld, die recht doet aan de verschillende schakels in de keten rond regels en de handhaving daarvan.

7. Voorstel: rondetafelgesprek

“Toezien op publieke belangen” vraagt om reflectie, door politici, beleidsmakers en toezichthouders, maar ook door burgers, bedrijven en (andere) deskundigen. In het afgelopen jaar heeft het rapport van de WRR zich niet mogen verheugen in een overvloed aan reacties. We rollen van incident naar incident, maar we zien geen ontwikkeling in het beleid. Ten onrechte. Er is alle reden om aan de slag te gaan met aanbeveling 1 van de WRR: Herijk de rijksvisie op toezicht.

Bij deze herijking draait het niet alleen om het product (beleid) maar ook om het proces (debat). Het kabinet zou het initiatief moeten nemen deze discussie te faciliteren. En de Tweede Kamer zou er goed aan doen de uitwisseling van gedachten te stimuleren. Dit zou bijvoorbeeld kunnen door een rondetafelgesprek te organiseren. Wij van de ToezichtTafel zijn graag bereid onze bijdrage te leveren.

Hoogachtend,

Rob Velders
Paul van Dijk

Initiatiefnemers ToezichtTafel
http://www.toezichttafel.nl

Dijksma: toezichthouder moet reflecteren en actief naar buiten treden

24 jun

Staatssecretaris Sharon Dijksma (EZ) vindt niet dat de inspecteur-generaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit met uitspraken over de veehouderij zijn boekje te buiten is gegaan:

“Ik vind het belangrijk dat de IG van de NVWA als toezichthouder reflecteert op ontwikkelingen en dilemma’s die de borging van de voedselveiligheid in Nederland aangaan en daarbij waar nodig actief naar buiten treedt. Dit past bij een moderne en professionele toezichthouder. De WRR onderstreept in haar rapport Toezien op publieke belangen (WRR-rapport 89, 2013) het belang van de reflectieve functie van de toezichthouder.”

Dijksma reageert hiermee op vragen uit de Tweede Kamer. De VVD vroeg zich af of het een taak van de inspecteur-generaal is om uitspraken te doen over beleid. De staatssecretaris wuift de kritiek weg en stelt dat de inspecteur-generaal haar beleid heeft verwoord.

Het kabinet werkt nog aan het standpunt over het rapport Toezien op publieke belangen, dat vorig jaar september verscheen.

 

Proefschrift Meike Bokhorst: toezichthouder moet ruimte bieden

4 jun

Open normen en doelregelgeving kunnen alleen tot minder regeldruk en meer draagvlak leiden als toezichthouders meer ruimte geven. Dit is een van de boodschappen in het proefschrift ‘Bronnen van legitimiteit‘ van Meike Bokhorst.

foto proefschrift meike bokhorstBokhorst promoveerde onlangs op “de zoektocht van de wetgever naar zeggenschap en gezag” en houdt daarbij ook een spiegel voor aan toezichthouders. Zij constateert dat open normen en doelregels worden gebruikt om regeldruk te verminderen, maar dat die in de praktijk juist leiden tot nadere voorschriften. “In plaats van vooraf te reguleren door middel van wetgeving laat de overheid de normstelling vrij, maar reguleert wel achteraf door middel van toezicht op het eindresultaat.” Er komen gedetailleerde toezichtkaders om naleving te bevorderen en vooral iedereen gelijk te behandelen.

“Inspecties zoals de IGZ en marktautoriteiten zoals de ACM hebben als taak op zich genomen om met het veld algemene regels nader in te vullen of zelf beleidsregels te ontwikkelen.”

Doelvoorschriften hebben alleen zin als de “geadresseerden” de gelegenheid krijgen om de norm zelf in te vullen. Zij zouden dan ook meer ruimte moeten krijgen maar ook meer ruimte moeten opeisen, vindt Bokhorst. Ze verwijst naar onderzoek waaruit blijkt dat organisaties niet erg geneigd om zelf open normen in te vullen:

“Ze stellen zich volgzaam en afhankelijk op, omdat ze denken dat d eoverheid bevoegd is tot het stellen van nadere regels, omdat de overheid over machtsmiddelen beschikt(zoals last onder dwangsom of publicatie op internet), omdat organisaties bang zijn voor reputatieschade bij problemen met de overheid of omdat ze uitgaan van de inhoudelijke deskundigheid en het gezag van de toezichthouder.”

Als alternatieve reguleringsstijlen zoals “coregulering” niet werken heeft dat niet alleen gevolgen voor de ervaren regeldruk, maar ook voor de legitimiteit, voor de acceptatie van normen. Regels kunnen aanvaard worden omdat ze democratisch zijn vastgesteld, maar er zijn ook andere manieren om tot draagvlak te komen. Bijvoorbeeld door groepen zelf te laten meewerken aan de normen. Of door gezaghebbende politieke, religieuze of maatschappelijke leiders in te zetten.

Het is een kwestie van wetgevingsbeleid hoe alternatieve stijlen van regulering worden gebruikt. Bokhorsts eerste stelling stemt niet optimistisch: “Anno 2014 is het Nederlandse wetgevingsbeleid op sterven na dood.”. Ook het politieke debat vindt ze teleurstellend:

“Er is alleen nog een kwantitatief debat over de lasten en de druk die regels veroorzaken en er is niet of nauwelijks een meer fundamentele discussie over het type normstelling dat we wel legitiem vinden.”

Het wetgevingsbeleid zou niet alleen oog moeten hebben voor de kwaliteit van wetten en de “effectiviteit van publieke doelrealisatie”, maar ook voor “de legitimiteit van de gekozen maatschappelijke verantwoordelijkheidsverdeling”, aldus de wetenschappelijk medewerker van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. Als de wetgever maatschappelijke organisaties inzet bij het stellen van normen, kunnen ook “legitimiteitseisen” worden gesteld, bijvoorbeeld over de medezeggenschap.

Ministeries zijn voor draagvlak niet volledig afhankelijk van vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties. Zij kunnen ook rechtstreeks in contact treden met betrokkenen, bijvoorbeeld door het organiseren van focusgroepen of openbare hoorzittingen. Ook internetconsultaties kunnen een bredere groep van belanghebbenden bereiken.

Lees hier het persbericht van de Universiteit van Tilburg: Nederlandse wetgever zaait zeggenschap maar oogst nieuwe legitimiteitsproblemen

Paul van Dijk

OESO publiceert 11 principes over toezicht en inspectie

28 mei

De OESO heeft “Best Practice Principles” gepubliceerd over toezicht en inspectie. In het rapport “Regulatory Enforcement and Inspections” geeft de internationale organisatie informele guidance over beleid, organisatie en instrumenten.

Schermafbeelding 2014-05-28 om 21.55.33De 11 principes zijn:

  1. Evidence-based enforcement
  2. Selectivity
  3. Risk focus and proportionality
  4. Responsive regulation
  5. Long-term vision
  6. Co-ordination and consolidation
  7. Transparent governance
  8. Information integration
  9. Clear and fair process
  10. Compliance promotion
  11. Professionalism

Lees hier het gehele rapport van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling.

Kabinet wil meer aandacht voor nalevingskosten van Europese regels

8 mei

Het Nederlandse kabinet wil niet alleen de administratieve lasten maar ook de nalevingskosten van Europese regels terugdringen. Dit zeiden minister-president Rutte en minister Kamp woensdag tijdens de conferentie “Smart EU Regulation, Better Business” in Den Haag.

foto-19

Minister-president Mark Rutte sluit de conferentie af

Minister Kamp van Economische Zaken pleitte voor een permanente Europese waakhond die regeldruk voor bedrijven en burgers toetst en voorkomt. De oprichting van zo’n nieuwe instantie zal in oktober ook onderdeel uitmaken van het advies van de Europese High Level Group on Administrative Burdens onder leiding van Edmund Stoiber.

Nieuwe aanpak

Stoiber pleitte in Den Haag voor een “nieuwe aanpak” in de aanpak van regeldruk. “We kunnen niet terug naar de deregulering van Thatcher. Dat zou niet werken.”

Volgens Stoiber moeten lidstaten zelf meer ambitie tonen en niet alleen lippendienst bewijzen.. Niet alleen kunnen landen zelf Europese regels efficiënter omzetten in hun nationale regimes, maar ook moeten zij bij hun – nachtelijke – compromissen meer aandacht besteden aan de lasten die de afgesproken regels zullen veroorzaken.

Ook Marianne Kingbell, plaatsvervangend secretaris-generaal van de Europese Commissie, wees op de verantwoordelijkheid van lidstaten om input te geven voor de beoordeling van compliance costs.

Voorzitter Bernard Wientjes van VNO-NCW wees erop dat veel regels er zijn omdat “politici streven aar een risicoloze maatschappij”. De werkgeversvoorzitter stak ook de hand in eigen boezem. Het bedrijfsleven zou veel eerder moeten aangeven welke lasten nieuwe regels hen zullen berokkenen.

Target

Ook op Europees niveau moet er een target komen voor de reductie van de regeldruk, zei Jan ten Hoopen, voorzitter van het Actal, het Nederlandse adviescollege toetsing regeldruk. In het Nederlandse regeerakkoord is afgesproken dat de lasten in deze kabinetsperiode met 2,5 miljard moeten worden verminderd. Zo’n doelstelling heeft volgens Ten Hoopen een “disciplinerende kracht”.

Volgens minister-president Mark Rutte moet “het nieuwe Europa” zich meer richten op kerntaken, waardoor er ook minder aanleiding is voor nieuwe regels. Hij waarschuwde dat de aanpak van regeldruk niet gedelegeerd kan worden aan specialisten. “Alleen in gezamenlijkheid kunnen we dit monster killen.”

Lees hier het nieuwsbericht van het ministerie van Economische Zaken.

Lees hier de speech van minister Kamp.

Lees hier de speech van minister-president Rutte.

Reflectief toezicht vergt reflectie toezichthouder

26 feb
“Versterk de reflectieve functie van de rijkstoezichthouders”, luidt de vierde aanbeveling van het WRR-rapport Toezien op publieke belangen. Hoe moet het kabinet hierop reageren? De ToezichtTafel doet een oproep aan de toezichthouders: reflecteer en kom zelf met een voorstel!
De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid dicht toezichthouders bijzondere mogelijkheden toe. Toezichthouders hebben “unieke kennis over de staat van hun sector”. Toezicht kan een “nuttige feedback-rol” spelen in de beleidscyclus. En “toezichthouders kunnen vanuit hun knooppuntpositie wijzen op aansluitingsproblemen tussen de werk- vloer, de instellingen en het beleid.”
Daar gaat een toezichthart natuurlijk sneller van kloppen. Maar als toezichthouders instemmen met deze analyse en aanbeveling, dienen ze ook de (hooggespannen) verwachtingen waar te maken: laten zien dat hun kennis uniek is, niet zomaar maar nuttige feedback geven. Bespiegelen is een hele klus. Is elke toezichthouder bijvoorbeeld al in staat om een “staat van de sector” op te maken?
De WRR  beveelt aan dat de toezichthouders hun rapportages en de wetgevingsbrieven in het openbaar toelichten aan de Tweede Kamer. Ook dat zal menig toezichthouder als muziek in de oren klinken. Maar welke informatie gaat de toezichthouder leveren? Krijgt de politiek meningen of ook feiten? En gaat de toezichthouder dan ook luisteren naar de politiek? Of moet de onafhankelijkheid dan beschermd worden tegen de “waan van de dag”?
Als politiek en beleid ruimte geven aan de reflectieve functie, dan dienen toezichthouders deze ruimte effectief te benutten. Het kabinet doet er goed aan de toezichthouders meteen zelf te laten reflecteren: wat kunnen ze brengen, wat komen ze halen? Het kabinet moet de aanbeveling overnemen en kan de bal weer bij de toezichthouders leggen: hoe denken zij de reflectieve functie te vervullen?
Schaduwstandpunt
Het kabinet werkt nog aan een reactie op de aanbevelingen van de WRR. Aan de ToezichtTafel maken we alvast een schaduwstandpunt.
Reflecteer mee
Dient de reflectieve functie van toezichthouders te worden versterkt? En zo ja, hoe dan? Plaats hier een reactie.
Paul van Dijk
%d bloggers liken dit: