Cautie

De cautie is de aan een (mondeling) verhoor voorafgaande mededeling aan een persoon dat hij/zij van een strafbaar feit wordt verdacht en niet tot antwoorden is verplicht. Dit vanwege het recht om niet mee te hoeven werken aan de eigen veroordeling oftewel het “verbod op zelfincriminatie” (nemotenetur se ipsum accusare).

De cautieverplichting is vastgelegd in artikel 29 Wetboek van Strafvordering.

Verklaringen van verdachten die zijn afgelegd vóórdat de cautie werd gegeven gelden niet als bewijs. Als de cautie ten onrechte niet is uitgesproken dan kan de rechter beslissen het daarmee verkregen bewijs te negeren. Verklaringen van verdachten die werden afgelegd vóórdat zij verdachte werden, gelden wel als bewijsmateriaal.

Voor toezichthouders en andere ambtenaren die partijen verhoren met het doel een bestuurlijke boete op te leggen, is de cautie geregeld in Artikel 5:10a Awb. Komt de zaak voor de bestuursrechter, dan verplicht Artikel 8:28a Awb de cautie.

Praktische informatie over de cautie vind je op de site van DNB. Een meer juridische analyse staat op de site van Pels Rijcken.

Laatste update: 11-4-2020

Ben je het niet eens met iets in deze beschrijving, is het niet meer up-to-date of heb je een aanvulling of werkt een link niet? Stuur ons dan even een mailtje. Dan kijken we er even naar en kunnen we het eventueel aanpassen. Alvast bedankt voor de moeite!