“Toezichthouders moeten kritischer zijn op cultuur en gedrag in eigen organisatie”

23 Feb

“Toezichthouders moeten kritischer zijn op cultuur/gedrag in de eigen organisatie, inclusief de dynamiek in de top, en hierover transparant zijn naar buiten.” Deze stelling werd gesteund door een meerderheid van de aanwezigen bij de mini-conferentie “Toezichthouden is een vak”. 

De bijeenkomst werd donderdag georganiseerd ter gelegenheid van het afscheid van Annetje Ottow als faculteitsdecaan en haar aantreden als vice-bestuursvoorzitter van de Universiteit Utrecht.

IMG_0918

Hoogleraar Femke de Vries steunde Ottows pleidooi voor een “juridische ruggengraat”, maar wees ook op het belang van flexibiliteit. Van een toezichthouder wordt niet alleen verwacht dat hij naleving controleert, hij moet ook problemen oplossen. Het is dan “all in the game” dat een toezichthouder door de rechter wordt teruggefloten, al zou die zelf ook wel wat meer reflectie mogen tonen:

“Ook de rechter moet zich meer bewust zijn van maatschappelijke ontwikkelingen en veranderingen in het toezicht.”

Oprechte openheid

Inspecteur-generaal Ronnie van Diemen van de IGJ i.o. pleitte voor “oprechte openheid”, ook bij toezichthouders zelf. Transparantie moet leiden tot leren en verbeteren en kan dan bijdragen aan vertrouwen en gezag.

Ook De Vries pleitte voor transparantie:

“Hoe kun je anderen vragen om een lerende organisatie te zijn, als je als toezichthouder zelf niet transparant bent over fouten?”

Volgens Van Diemen vraagt openheid ook om beslotenheid. Een patiënt die over zijn angsten praat, moet weten dat zijn verhaal niet buiten de kamer komt. En een arts moet kunnen vertellen wat er niet goed is gegaan.

Nieuwe toezichthouders

Deze tijd vraagt om nieuwe toezichthouders, die de balans weten te vinden tussen bescherming en innovatie, aldus hoogleraar Judith van Erp. Zij wees daarbij op de verschillende strategieën om om te gaan met schadelijk gedrag dat (nog) niet verboden  is: niets doen, pleiten voor regels, wettelijke kader zoeken of informeel toezicht houden.

“Het toezicht verandert, van strenge handhaving naar gezaghebbend beïnvloeden.”

LITER of LITE?

Rode draad in het mini-symposium was de set van vijf principes van Ottow voor goed toezicht: Legality, Independence, Transparency, Effectiveness en Responsibilty.

Anna Gerbrandy wierp de vraag op of alle letters van “LITER” nodig zijn. De hoogleraar stelde dat de “R” voor markttoezichthouders alleen toegevoegde waarde heeft als zij de mogelijkheid krijgen om zelfstandig een afweging te maken tussen marktbelang en publieke belangen.

Maar, waarschuwde ACM-bestuurder Henk Don, het ontbreekt toezichthouders aan democratische legitimatie om deze politieke afweging te maken. Volgens zijn collega Frank Elderson (DNB) hebben toezichthouders wel het mandaat om onderwerpen te agenderen en aan te geven wat ze wél willen zien.

Advertenties

OESO vraagt reacties op “toolkit” voor beoordeling van toezicht

16 Feb

De OESO heeft een toolkit gepresenteerd waarmee het ontwikkelingsniveau van toezicht kan worden beoordeeld. De twaalf criteria, uitgewerkt in 48 sub-criteria, moeten helpen om sterktes en zwaktes van een toezichthouder of een handhavingsregime in beeld te brengen.

De OESO heeft nu een concept van de checklist gepubliceerd, waarop tot 13 maart kan worden gereageerd.

De toolkit is gebaseerd op  de OECD Best Practice Principles for Regulatory Enforcement and Inspections uit 2014.

Lees hier de Draft OECD Enforcement and Inspections Toolkit.

Mooi, die legitimiteit. Maar is die legitimeit ook effectief?

23 Jan

Alle toezichthouders en inspecties dienen het conceptuele kader van het rapport “Van transparantie naar responsiviteit” te omarmen, vindt Aute Kasdorp. Hij formuleert daarbij twee aanbevelingen:

In hun recente rapport Van transparantie naar responsiviteit verschaffen van Bokhorst en Van Erp veel helderheid over de uiteenlopende pogingen van inspecties om hun legitimiteit te bevorderen. Hulde. Alle toezichthouders en inspecties zouden het conceptuele kader dat zij voorstellen (rapport p. 13) als referentiepunt moeten omarmen, inclusief de bijbehorende definities en omschrijvingen. Dat gaat dit legitimiteitstreven vooruithelpen en een hoop vaagheid en spraakverwarring voorkomen.

Ik doe daar twee aanbevelingen bij.

  1. Laat de nuance van het rapport niet verloren gaan. Want dan gaan inspecties nog denken dat dit kader een eenduidig groeimodel is (verder naar rechts in de tabel = beter). Wat onzin is, natuurlijk. Zoals de auteurs ook benadrukken (p. 7):

“Omgevingsgerichte waarden die in het politiek- maatschappelijke debat over toezicht een rol spelen zijn transparantie, verantwoording en responsiviteit. Bij de inventarisatie is een meer open blik gehanteerd aangezien in het toezicht ook andere waarden een rol spelen. Bovendien zijn de omgevingsgerichte waarden niet onproblematisch. Hun tegenpolen beslotenheid, terughoudendheid en vertrouwelijkheid zijn eveneens van waarde.”

Immers: soms werkt transparantie averechts, soms zitten stakeholders niet te wachten op dure verantwoording, en soms is responsiviteit een schaamlap voor gebrek aan daadkracht.

Voor zover er al sprake is van een groeimodel, dan is dat model mijns inziens niet dat inspecties het beter doen naar mate ze meer opschuiven van transparantie naar responsiviteit (of, zoals Van Dijk voorstelt, naar ontvankelijkheid: Van transparantie naar responsiviteit. En dan verder!). Maar misschien kun je zeggen dat inspecties het beter doen, naar mate ze beter in staat zijn om bijvoorbeeld responsief of ontvankelijk op te treden waar dat op zijn plaats is. Al ben ik bang dat het een behoorlijke aanvullende studie vraagt om alleen al een goede invulling te geven aan de laatste zes woorden van de voorgaande zin. En ik weet vrij zeker dat dit ook verschilt per toezichtdomein.

  1. Tweede aanbeveling: hou oog voor de beperkingen die zijn ingebakken in (de onderzoeksopdracht voor) het onderliggende rapport: (i) de huidige, Nederlandse, waardengedreven context, en (ii) de nadruk op het belang van legitimiteit.

(i)        Boeiend is het verband dat de auteurs telkens leggen tussen de waarden die inspecties verwachten van hun toezichtpopulatie, en de waarden die deze inspecties zelf ten toon spreiden. Bijvoorbeeld (p. 9):

“Transparantie als instrument is vaak pas geloofwaardig als degene die om transparantie van anderen vraagt zelf ook transparantie als waarde belichaamt.”

“Wie anderen om verantwoording vraagt, dient zichzelf ook publiek te verantwoorden.”

Algemener gesteld: toezichthouders kunnen (mogen?) de onder toezicht staande organisaties alleen waarden opleggen als ze die waarden ook zelf hooghouden. Dat vinden de auteurs zelf, lijkt het. En ze lijken aan te nemen dat iedereen – inspecties, onder toezicht staande organisaties, maatschappelijke stakeholders – deze morele gelijkschakeling vanzelfsprekend onderschrijft. De geïnterviewde inspecteurs zullen dit ook vast beaamd hebben.

Maar is dat zo? Waar is dat op gebaseerd? Vooropgesteld, persoonlijk vind ik dit een aantrekkelijk gezichtspunt. Je kunt het zien als een aspect van integriteit: niet met twee maten meten (een strenge maat voor anderen, een soepele voor jezelf). Maar de onderliggende aanname hierbij lijkt te zijn dat je te maken hebt met twee gelijke gevallen, die je daarom ook gelijk zou moeten behandelen: als een onder toezicht staande organisatie verantwoording moet afleggen, dan de toezichthouder ook.

Wie zegt dat dit gelijke gevallen zijn? Dit een egalitair gezichtspunt, dat in de context van de huidige Nederlandse – uitgesproken egalitaire – cultuur aannemelijk klinkt. Maar internationaal gezien is dit uitzondering, geen regel. Ik heb het afgelopen jaar over de schouder meegekeken bij 218 leden van IOSCO (organisaties die wereldwijd toezicht houden op de effectenmarkten). En het leeuwendeel van hen ervaart geen enkel conflict tussen de huizenhoge transparantie-eisen die zij opleggen aan marktdeelnemers en de – vaak marginale – transparantie-eisen waar zij zelf aan voldoen. Toezichthouders en marktdeelnemers zijn immers niet vergelijkbaar, laat staan hetzelfde. Of kijk wat dichter bij huis: voor zover ik me herinner dacht 10-15 jaar geleden het merendeel van de Nederlandse toezichthouders en inspecteurs er nog net zo over als die IOSCO-leden vandaag. En hoe denkt het gros van de Nederlandse toezichtpopulatie eigenlijk vandaag de dag over transparantie, verantwoording en responsiviteit van inspecties? Zou dat niet per (deel)populatie verschillen? We kennen voorbeelden van stakeholders die hierom vragen, maar wat weten we hier systematisch vanaf?

Dus als we streven naar meer responsieve of ontvankelijke inspecties, doen we dat omdat wij dat nu een mooi streven vinden? Of omdat we weten – of tenminste op basis van niet-anekdotische gegevens mogen vermoeden – dat dit voldoet aan een duurzame, breed verspreide en diepgevoelde behoefte bij stakeholders, zodat we met dit streven het toezicht ook wezenlijk vooruithelpen?

(ii)       Dit brengt mij op een tweede, ingebakken beperking van het rapport: de nadruk op het belang van de legitimiteit van het toezicht. En de navenant beperkte nadruk op het belang van (aantoonbare) effectiviteit.

Legitimiteit is cruciaal, laat dat duidelijk zijn. Maar werken aan legitimiteit is pas echt mooi als het werkt. Dat wil zeggen: als het vertrouwen van stakeholders in het toezicht toeneemt, en dus ook de steun voor het toezichtregime. Als daardoor meer mensen vrijwillig de wet naleven, en de normen en waarden hooghouden die daaraan ten grondslag liggen. Als toezicht daardoor beter de doelen realiseert waarvoor het is ingesteld.

Daarom vond ik dit bijna terloopse zinnetje in het rapport misschien wel het meest fascinerend (p. 8):

“Inspecties houden niet systematisch bij wat de effecten zijn van verschillende omgevingsgerichte strategieën en aanpakken.“

Dat herken ik. En markttoezichthouders doen dit ook niet. Maar – als je kijkt naar de empirische opbrengst van dit onderzoek, even los van de onderzoeksopdracht – zou dat niet aanbeveling nr. 1 moeten zijn? Om die effecten juist wel systematisch te onderzoeken en bij te houden? En op basis daarvan bij te sturen? Dan kun je gaan hopen dat we op termijn ons legitimiteitbeleid niet baseren op wat wij een mooi en politiek wenselijk streven vinden, maar op waarnemingen en feiten.

Aute Kasdorp

Van transparantie naar responsiviteit. En dan verder!

12 Jan

Er valt nog veel te winnen in de omgevingsgerichtheid van inspecties, zowel individueel als gezamenlijk. Dit stellen Meike Bokhorst en Judith van Erp in “Van transparantie naar responsiviteit”, een verkenning in opdracht van de Inspectieraad. Inspecties kunnen “in hun denken over omgevingsgerichtheid de slag maken van instrumenteel gerichte transparantie naar reflectief gerichte responsiviteit”. Paul van Dijk ontleent aan het rapport twee kansen voor toezichthouders.

De verkenning van de omgevingsgerichte strategieën van inspecties is bedoeld om de gedachtenvorming van inspecties te voeden en faciliteren. Bokhorst en Van Erp beschrijven een “ontwikkelingspatroon” van transparantie via verantwoording naar responsiviteit.

  • Transparantie: zichtbaar maken van activiteiten of prestaties van toezichthouder of ondertoezichtstaande organisaties.
  • Verantwoording: informatie inzichtelijk maken met het oog op publieke oordeelsvorming.
  • Responsiviteit: de interactie met de maatschappelijke omgeving aangaan als toezichthouder en die interactie met burgers en belanghebbenden ook stimuleren bij ondertoezichtstaande organisaties

In de verkenning worden verschillende omgevingsgerichte strategieën onderscheiden: een instrumentele toezichtstrategie, een legitimerende publieksstrategie en een reflectieve krachtenveldstrategie.

“De toezichtstrategie van de toezichthouder kan gericht zijn op het zelf creëren van transparantie over ondertoezichtstaanden en het stimuleren van transparantie bij ondertoezichtstaanden als middel voor normnaleving en kwaliteitsbewaking. De publieksstrategie van de toezichthouder kan gericht zijn op het afleggen van verantwoording om vertrouwen in het toezicht te vergroten en op het vragen om verantwoording bij ondertoezichtstaanden om het vertrouwen in de sector te vergroten. De krachtenveldstrategie van de toezichthouder kan gericht zijn op het zelf betrekken van de maatschappelijke omgeving bij normstelling en uitvoering van het toezicht en op het stimuleren dat ondertoezichtstaanden hun maatschappelijke omgeving betrekken bij hun product of dienstverlening.”

Bokhorst en Van Erp constateren dat er grote verschillen bestaan in de omgevingsgerichtheid van toezichthouders. De mate en invulling van omgevingsgerichtheid wordt bepaald door verschillende externe en interne factoren.

“Bij inspecties die toezicht houden op de kwaliteit van semipublieke diensten is een verschuiving waar te nemen van transparantie voor burgers via verantwoording aan burgers naar responsiviteit met burgers en organisaties.”

Er valt nog veel te winnen in de omgevingsgerichtheid van inspecties, zowel individueel als gezamenlijk. De verkenning bepleit dat toezichthouders “omgevingsgerichte strategieën ontwikkelen. Ook kunnen inspecties “in hun denken over omgevingsgerichtheid de slag maken van instrumenteel gerichte transparantie naar reflectief gerichte responsiviteit”. Zij kunnen nog veel transparanter zijn en beter beargumenteren wat ze met transparantie willen bereiken.

Schermafbeelding 2017-12-28 om 16.33.30Kansen

De verkenning biedt een nuttig referentiekader voor de verdere ontwikkeling van strategieën. Het rapport smaakt ook naar meer. Er liggen tenminste twee kansen voor het oprapen.

Kans 1: Van strategieën naar beleid

Het toekomstperspectief van de verkenning begint met een “kanttekening”:

“Op grond van deze verkenning is duidelijk geworden dat één uniform transparantie- of interactiebeleid voor inspecties niet alleen niet realistisch is, maar ook niet wenselijk. Daarvoor zijn er te veel verschillen in wettelijk kader, sector, type toezichtinformatie en type omgeving.”

Niet “één uniform” beleid, maar wel “strategieën”. Wat betekent dit precies? Het is logisch dat er niet een blauwdruk wordt ontwikkeld die – los van de context – moet worden toegepast. Maar het is ook noodzakelijk dat de omgevingsgerichtheid wordt ontwikkeld. Terecht schrijven Bokhorst en Van Erp dat toezichthouders die omgevingsgerichte strategieën ontwikkelen makkelijker de regie houden over de informatie die ze niet openbaar willen of kunnen maken.

Bokhorst en Van Erp zijn voorzichtig in hun pleidooi voor een gezamenlijke aanpak. Inspecties kunnen het “begrippenkader” gebruiken als “gedeeld referentiekader”. Zo kunnen ze verschillen beargumenteren en een ontwikkelpad kiezen. Ook kunnen ze meer ervaringen uitwisselen, ook met markttoezichthouders.

De vraag is of de lat hier niet wat hoger mag liggen. Zou het niet mogelijk en wenselijk zijn om gezamenlijk beleid te ontwikkelen, al was het maar als een kader voor de verschillende strategieën? Kan zo niet worden voorkomen dat iedereen zelf het wiel moet uitvinden, dat niet goed verdedigbare verschillen ontstaan of een organisatie juist nalaat om zichzelf te ontwikkelen? Hier ligt een kans voor de Inspectieraad en het Markttoezichthoudersberaad.

Kans 2: Van responsiviteit naar…?

In het ontwikkelkader van Bokhorst en Van Erp is responsiviteit de meest vergaande waarde. Zou een toezichthouder ook nog verder kunnen gaan?

In het rapport gaat het bij responsiviteit om de interactie met de maatschappelijke omgeving (en die interactie met burgers en belanghebbenden ook stimuleren bij ondertoezichtstaande organisaties).

“Responsiviteit is een interactief proces waarbij de toezichthouder of ondertoezichtstaande antwoord geeft op vragen en klachten, in gesprek gaat met burgers, belanghebbenden en organisaties en mogelijk het eigen handelen daarop aanpast of ervan leert, waardoor de kwaliteit en/of naleving kan verbeteren. Als het toezichtoptreden zichtbaar en inzichtelijk is gemaakt en de toezichthouder openstaat voor weerwoord, zijn de voorwaarden geschapen voor responsiviteit. Transparantie, verantwoording en responsiviteit liggen dus in elkaars verlengde. Mensen moeten geïnformeerd zijn en uitleg hebben gekregen voordat een betekenisvol gesprek mogelijk is. Als de toezichthouder responsief is, kunnen mensen ook makkelijker om informatie en uitleg vragen. Op die manier kan transparantie bijdragen aan een publiek debat over toezicht.”

Responsiviteit wordt gezien als een interactief proces, maar het zwaartepunt of het initiatief ligt (nog) steeds bij de toezichthouder. Die informeert en legt uit, daarop mag de burger reageren; de toezichthouder staat open voor dat weerwoord. De vraag is of een verdergaande vorm van omgevingsgerichtheid denkbaar is.

De OESO stelde vast dat stakeholders steeds meer worden betrokken bij regelgeving, maar nog nauwelijks bij de uitvoering en handhaving ervan. De Amerikaanse hoogleraar Cary Coglianese vindt dat ‘public engagement’ een prioriteit moet zijn voor een toezichthouder; het publiek moet gezien worden als een partner in het besluitvormingsproces. In Nederland pleitte Adriejan van der Veen voor “evenredige en diverse vertegenwoordiging van maatschappelijke belangen” in het markttoezicht. En Margot Aelen pleitte voor inspraak in het markttoezicht.

In het paardencontinuüm is responsiviteit nu een uiterste vorm van omgevingsgerichtheid, maar er lijken  – naast of binnen de waarde van responsiviteit – meer vormen denkbaar. Er is een strategie denkbaar waarin de omgeving niet alleen reageert op de toezichthouder, maar actief in staat wordt gesteld het toezicht te beïnvloeden. In het continuüm kan een kolom worden toegevoegd die duidelijker maakt dat de omgeving zeggenschap heeft in het toezicht en dat de toezichthouder daarvoor ontvankelijk is:

Schermafbeelding 2018-01-12 om 12.14.21De “stakeholdersstrategie ” hoeft niet in strijd te zijn met onafhankelijkheid. De toezichthouder kan en moet de inbreng wegen. Het is niet: u vraagt, wij draaien.

Er kunnen redenen zijn waarom niet elke toezichthouder zich – in de volle breedte – doorontwikkelt naar werkelijke ontvankelijke toezichtstijl, maar het lijkt wel nuttig zijn om in het referentiekader te laten zien hoe ver omgevingsgerichtheid kan gaan.

Ten slotte

Uit de verkenning van Bokhorst en Van Erp blijkt dat er nog grote verschillen bestaan in de omgevingsgerichtheid van rijksinspecties. De Inspectieraad verwoordt de eigen ambitie als volgt:

“De Inspectieraad wil de omgevingsgerichtheid van inspecties bevorderen, maar daarbij ook uitgaan van wat mogelijk en zinvol is.”

Het woordje “maar”  is hier intrigerend; staat “omgevingsgerichtheid” tegenover “mogelijk” en “zinvol”? Het taalgebruik van en over toezichthouders kan de indruk wekken dat de omgeving wordt gezien als een hinderlijke onderbreking van het zegenrijke werk.

De strategieën van inspecties zouden  niet moeten uitgaan van hun eigen positie, maar veel meer vanuit belangen van de omgeving waarbinnen en waarvoor zij werken. Heeft die omgeving niet het recht om geïnformeerd en betrokken te worden?

Bokhorst en Van Erp dagen toezichthouders uit om het toezicht sterker te richten op de omgeving. Volgens het regeerakkoord moeten zij meer met elkaar samenwerken, hier ligt een kans voor een gezamenlijke aanpak. Het is te hopen dat de Inspectieraad en het Markttoezichthoudersberaad  de verkenning gebruiken om nieuwe stappen te zetten.

Paul van Dijk

Toezichthouders moeten zelf initiatief nemen in discussie over buitenwettelijk toezichtí

10 Jan

Twee promovendi hebben het met elkaar aan de stok gekregen over buitenwettelijk toezicht. Frank ’t Hart stelde onlangs in zijn proefschrift dat toezichthouders terughoudend moeten zijn met toezicht op onwenselijk maar legaal gedrag Aute Kasdorp belicht in een opinieartikel in het FD de andere kant van de medaille.

“Van een moderne toezichthouder verwachten we dat hij niet alleen handhaaft, maar ook helpt actuele maatschappelijke problemen in zijn domein aan te pakken, zoals de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid al in 2013 constateerde. Ook verwachten we dat hij zich daarbij niet altijd verschuilt achter een tekortschietende wet. Soms zal dat betekenen: de mensen waarschuwen. Soms betekent het: de wetgever een duw geven en soms betekent het een bank een duw geven.”

Kasdorp, die werkt aan een proefschrift over buitenwettelijk toezicht, tekent daarbij wel aan dat toezichthouders transparanter moeten worden over hun buitenwettelijke activiteiten. Ook moeten ze grenzen in acht nemen. Hij suggereert een “bredere dialoog” over buitenwettelijk toezicht. De AFM moet zich bijvoorbeeld niet opstellen als “het orakel aan de Vijzelgracht”

Paul Fentrop schrijft op dezelfde dag in hetzelfde FD:

“De scheiding van moraliteit en overheid (kerk en staat) zit in de Nederlandse cultuur niet ingebakken. Daarom moeten we blijven herhalen: wat niet mag, bepaalt de wet en handhaaft de overheid. Wat wenselijk is, bepalen mensen zelf. Die kalibreren de wet met hun eigen moreel kompas, maar kunnen een ander daarmee niet sturen.”

De discussie dient voor toezichthouders een teken aan de wand te zijn: er is werk aan de winkel. De standpunten van ’t Hart en Fentrop laten zien dat “buitenwettelijk toezicht” tenminste omstreden is. De redenering van Kasdorp biedt een uitweg: een bredere discussie over wat we wel en niet van toezichthouders (mogen) verwachten.

Toezichthouders doen er verstandig aan om zelf het heft in handen te nemen en de dialoog te starten. Zij kunnen zelf transparanter worden, zelf grenzen stellen, zelf werken aan draagvlak voor hun aanpak. Doen zij dat niet, dan zullen rechter en politiek in de verleiding komen om te normeren. Er ligt een schone taak voor de Inspectieraad en het Markttoezichthoudersberaad…

Paul van Dijk

Vakkundige toezichthouders hebben drive en moeten een leven lang leren

21 Dec

Op 29 november 2017 kwamen de ondernemingsraden van de inspecties bij de FIOD in Utrecht bij elkaar om te spreken over vakmanschap en verbinding. In het ochtenddeel was een interessante line-up van sprekers. Rob Velders doet verslag.

Where to go en how to go
De aftrap was van gastheer en directeur van de FIOD, Hans van der Vlist. Zijn dienst heeft een onderzoek laten uitvoeren onder de medewerkers naar wat volgens hen het doel (where to go) van de FIOD is. Gelukkig bleek men daarover in ruime mate gelijk te denken (>80% allignment): effect sorteren, compliance bevorderen, samenwerken en afpakken van crimineel vermogen.

Daarentegen bleken er grote verschillen van inzicht over de vraag hoe die doelen te bereiken (how to go). Na interne discussie werd vastgesteld dat het gaat om professionaliteit van de medewerkers, het zijn van een lerende organisatie en het gericht zijn op technologische ontwikkeling. Dit alles dient gecombineerd te worden met dienend leiderschap van het management en ondernemerschap bij de medewerkers.

Je koopt als inspecteur je vrijheid door goed te zijn
Wetenschapper Matthieu Weggeman verzorgde een boeiend betoog over vakmanschap en de inspecteur van de toekomst. Volgens hem is 80% van de medewerkers een professional; iemand die vakdeskundig is en liever iets goed doet dan fout. Deze mensen verdienen ruimte en vertrouwen en moeten worden gestuurd op output. Als die output te ambitieus wordt gesteld dan dreigt burn-out. Als het juist te weinig uitdagend is dan dreigt bore-out.

Bazen die niet uit het vak afkomstig zijn, produceren meer bore-outs en burn-outs omdat ze niet goed kunnen beoordelen wat tussen die twee in ligt; inspecteurs hebben dus vakdeskundige chefs nodig. “

Waar vakdeskundigheid bij managers ontbreekt ontstaat vanzelf een regelneef die werkt op basis van regels en input.”

Zo verbaasde Weggeman zich over de benoeming van Wouter Bos als leidinggevende van een ziekenhuis in Amsterdam. Hij had dan wel de overstroming als crisismanager uitstekend geleid, “maar het ziekenhuis staat meestentijds niet onder water en een serieuze gesprekspartner voor de artsen kan hij niet zijn”.

Professionals hebben behoefte aan managers die durven te differentiëren. En aan een duale ladder: goede inspecteurs moeten kunnen groeien in hun vak tot expert, met bijbehorend hoog salaris, maar zonder per se manager te hoeven worden. Nu ontbreekt dat perspectief bij de meeste inspecties.

WeggemanKenniswerkers kenmerken zich door een hoge opleiding en voortdurende bijscholing om up-to-date te blijven. Maar: niet iedere kenniswerker is een professional en andersom geldt dat ook niet automatisch. Indien het wel samenkomt in een inspecteur dan gaat kwaliteit vóór kwantiteit en resultaat vóór regels en procedures. Bij deze mensen is de liefde voor het vak groter dan de liefde voor geld, efficiency en vrije tijd.

Van de resterende 20% van de medewerkers is driekwart “ex-prof”. Die mensen kunnen het niet zo goed (meer). Voor deze mensen zijn leerprogramma’s nodig. De laatste 5% betreft mensen die het niet (meer) willen. Zij werken uitsluiten voor het geld en bij hen zijn dan ook strakke planning, control, sturing, regels en procedures nodig.

Weggeman hield een warm pleidooi voor een collectieve ambitie, zoals bij de FIOD. Die geeft  richting aan de ambities en energie van de professionals binnen de organisatie. Voor de inspecteur van de toekomst gelden volgens Weggeman de volgende criteria:

  • professionele attitude
  • mission-driven
  • blijven leren en een uitdagend werkpakket
  • kennis delen en samenwerken
  • goed zijn in het vak
  • een wenkend carrièreperspectief hebben
  • gestuurd worden op output

Weggeman constateerde dat de ruimte voor de professionele toezichthouder impliceert dat de inspecties de politiek vaker moeten durven tegenspreken als iets niet kan of niet zinvol is. Dat is iets anders dan weten hoe de hazen in Den Haag lopen. Blinde loyaliteit en de minister “uit de wind houden” leveren geen vernieuwing op.

Ruimte om te werken binnen een bandbreedte
Marc Kuipers, IG van de Inspectie SZW, reageerde direct op de suggestie van Weggeman. Tegenspreken is juist een teken van loyaliteit: altijd meebuigen kan voor de korte termijn loyaal lijken, maar neemt onderliggende problemen niet weg. En dat kan juist voor veel grotere ellende zorgen en is dus allesbehalve loyaal.

“Dat vraagt dapperheid en stevigheid. Met respect je positie verwoorden kan en moet altijd en is juist een teken van loyaliteit.”

Vervolgens benadrukte Kuipers het belang van de gezamenlijke verantwoordelijkheid van management en inspectie-medewerkers over de uitvoering van het werk en het realiseren van doelstellingen. Daar mag een bandbreedte aan inzichten en werkwijzen zijn.

“We zijn immers allemaal mensen en hebben die ruimte nodig. Maar het is van belang om dan wel binnen die marges te blijven en verantwoording af te leggen”.

Na jaren van bezuinigen en continu redeneren dat die bezuinigingen echt kunnen zonder dat het werk en de resultaten daar onder zouden leiden, heeft de I-SZW van het nieuwe kabinet een verruiming van het huidige budget van 100 miljoen naar 150 miljoen toegekend gekregen. Naar de mening van Kuipers kan nu vol ingezet gaan worden op de kracht en realisatie van een gezamenlijke missie.

Ook signaleerde Kuipers het belang van mixed teams van (digitale) jongeren en (oude) “analogen”. Digitale vaardigheden zullen meer gevraagd worden dan in het verleden, maar analoge deskundigheid, waaronder het bekende “onderbuikgevoel” zal altijd nodig blijven.

Je kunt maximaal drie veranderingen per jaar vragen
Na de pauze ging Ronnie van Diemen in op het belang van opleiden, ontwikkelen en vakmanschap. Zij begon met de stelling dat gedurende haar hele carrière als kinderarts, wetenschapper, bestuurder en toezichthouder één vraag centraal staat: is dit de zorg die je je naaste wenst?

Een belangrijke boodschap van Van Diemen was dat elke inspecteur vanuit vakmanschap met andere ogen naar de werkelijkheid kijkt dan bijvoorbeeld de samenleving, politiek, media, patiënten, zorgverzekeraars of artsen.  Dat leidt tot de constatering dat er verschillende werkelijkheden zijn en dat moeten inspecteurs zich realiseren. En de ontwikkelingen in de zorg en elders gaan razendsnel. Dat vergt ook een leven lang leren van de toezichthouders.

De maatschappij verandert en het toezicht moet mee veranderen. Dat heeft effect op de visie, inhoud, proces, mensen, middelen van de inspecties en vraagt dus een groot verandervermogen.

Schema veranderen
Wezenlijke veranderingen vergen vaak wel veel tijd. Het is Van Diemen gebleken dat het eigenlijk niet mogelijk is om meer dan drie wezenlijke veranderingen per jaar te verwachten. Vaak schieten veranderingen namelijk na verloop van tijd weer terug in het oude spoor.

Ze steunt de opleidingen die door de Inspectieacademie worden aangeboden

  • startende inspecteur
  • strategisch toezicht
  • professie en verdieping

Ook de komst van rijkstrainees en de ABD-app horen in dit traject.

De uitdagingen die er liggen:

  • meerwaarde bewaren en het optimaal benutten van heterogene groepen;
  • werken met docenten, trainers en begeleiders uit het primaire proces van de eigen inspecties;
  • verbinden van het primaire proces met vakgebieden, leren en ontwikkelen, HRM en organisatie-ontwikkelingen. Alleen in samenhang is het mogelijk betekenisvolle activiteiten te ontwikkelen.

Het spanningsveld in de huidige tijd schuilt in de professionaliteit ten opzichte van heersende systemen. Hiervoor is bij de IGJ in juni van dit jaar een dialoog over verdere professionalisering gestart. Het is dus zaak om niet terug te vallen en voort te gaan op de ingeslagen weg. Ze eindigde met de vraag aan alle Ondernemingsraden:

“Welk verandervermogen heeft jullie inspectie?”

Workshops
In het resterende deel van de middag werden er workshops verzorgd. Door Carin Benders over inspectiewerkwijzen. Door Jan Bos over uitwisseling van inspecteurs. En door ondergetekende over de code voor goede inspecteurs de consequenties daarvan voor de inspecties door ondergetekende.

Rob Velders

Pleidooi voor terughoudendheid bij toezicht op onwenselijk gedrag

14 Dec

Een toezichthouder dient terughoudend te zijn in het bestrijden van gedrag dat onwenselijk maar wettelijk toegestaan is. Dit schrijft Frank ’t Hart in zijn dissertatie  over de zorgplicht bij financiële dienstverlening, die hij op 21 december verdedigt aan de Universiteit van Amsterdam. 

De promovendus constateert dat toezichthouders zich steeds meer richten op het voorkomen of bestrijden van onwenselijk gedrag, ongeacht of dit gedrag verboden is. “Centraal staat het onwenselijke gedrag en niet zozeer de naleving van wetgeving”. Deze visie kan ervoor zorgen dat ondernemers aan meer verplichtingen moeten voldoen dan de wet eist.

Volgens ’t Hart is deze aanpak niet per se “zorgelijk”, als maar wordt voldaan aan een aantal voorwaarden:

  1. De toezichthouder moet terughoudend zijn in het bestrijden van onwenselijk maar rechtens toelaatbaar gedrag en niet een apart stelsel aan normen in het leven roepen die te ver verwijderd is van de wettelijke normering.
  2. De toezichthouder dient zich voorspelbaar en magistratelijk op te stellen.
  3. De rechtspositie van de onder toezicht staande financiële onderneming moet adequaat worden beschermd. “De verhouding tussen toezichthouders enerzijds en onder toezicht staande financiële ondernemingen anderzijds mag niet zodanig worden verstoord dat het machtswoord van de toezichthouder in plaats van het argument komt te regeren.”
’t Hart constateert bijvoorbeeld dat druk wordt uitgeoefend op financiële ondernemingen om het belang van de klant centraal te stellen, “ongeacht of zulks juridisch verplicht is”. Ook wijst hij op het de zogenaamde informele handhavingsinstrumenten, waaronder  beïnvloeding van de publieke opinie. Daardoor voelen financiële ondernemingen zich gedwongen “om te handelen overeenkomstig de wens van hun toezichthouder, ongeacht of daartoe een wettelijke verplichting bestaat”.
Klik hier voor meer informatie.
%d bloggers liken dit: