Fatsoenlijk transparant

29 Apr

“We zijn op weg naar meer maar ook naar fatsoenlijke transparantie”, schrijft Paul van Dijk. Zijn column verscheen eerder in het Tijdschrift voor Toezicht.

Fatsoenlijk transparant

Nee, de slinger van transparantie is niet op de weg terug. Ook het toezicht blijft zich ontwikkelen naar meer openheid, en nooit meer naar minder. Dat wil niet zeggen dat de slinger moet doorslaan. We zijn op weg naar meer maar ook naar fatsoenlijke transparantie.

Uiteraard vinden wij allen transparantie zeer belangrijk, vooral als het een ander betreft. De toezichthouder eist dat de onderneming inzicht geeft in de opbouw van tarieven, maar vraagt begrip voor de vertrouwelijkheid van de eigen activiteiten. De ondernemer wil weten waaraan de toezichthouder zijn geld besteedt, maar is bang dat gepubliceerde onderzoeksresultaten de eigen reputatie beschadigen.
Aldus liggen de klassieke verhoudingen, de werkelijkheid is genuanceerder. Menig toezichthouder is inmiddels bereid zich te verantwoorden, al was het maar om aan te geven wat de (positieve) effecten van het optreden zijn. Menig ondernemer vraagt toezichthouders nu juist man en paard te noemen, al was het maar om niet meegesleurd te worden met de reputatie van een gehele sector.

Verleiding

De verleiding is groot om transparantie tot een modieus begrip te bestempelen. Maar het mag geen modeverschijnsel zijn. Transparantie is geen wondermiddel, eerder een kenmerk van een moderne overheid.
‘Gij zult openbaar maken’, is het eenvoudige gebod dat de Raad voor het openbaar bestuur (Rob) heeft geformuleerd.1 ‘Openbaarheid is een noodzakelijke voorwaarde voor een goed functionerende democratische rechtsstaat: dienstbaar aan de legitimiteit van het openbaar bestuur en het vertrouwen van burgers in de overheid.’ De discussie over openbaarheid raakt, in de woorden van Rob-voorzitter Jacques Wallage, aan de ‘bedrijfscultuur’ van de politiek. ‘Uiteindelijk gaat het om houding, om attitude, om cultuur’.

Regel

Ook in de cultuur van het toezicht wordt openbaarheid veelal niet opgevat als de regel, maar als de uitzondering op geheimhouding. Van oudsher werkt de toezichthouder het liefst achter gesloten deuren. Terwijl ook in het toezicht de hoofdregel zou moeten zijn dat in beginsel alles openbaar mag en moet zijn.
Het uitgangspunt van transparantie dient in elk geval van toepassing te zijn op de toezichthouder zelf. Voor de legitimiteit is belangrijk dat verantwoording wordt afgelegd over de activiteiten. Dat geldt voor de prioriteiten en de besteding van het budget. En het geldt evenzeer voor bestuurskosten, zelfs voor de wijn bij het bestuursdiner.
Transparantie heeft ook te gelden voor de bevindingen van de toezichthouder. Niet dat daarbij geen vragen kunnen worden gesteld. Wat betekent deze openheid bijvoorbeeld voor de bereidheid om informatie met toezichthouders te delen? Wanneer wordt het onderzoek zelf belemmerd? En – de meest hovaardige van alle vragen – kunnen anderen wel omgaan met de informatie, of gaat de ‘medialogica’ ermee op de loop?
Voor burgers en bedrijven onder toezicht zijn de vragen nog indringender. Inspectieresultaten zeggen iets over de inspectie maar veel meer nog over de geïnspecteerde(n). Het is logisch dat er dan, naast het publieke right to know, aandacht is voor de belangen van degenen die onder toezicht staan.
De Raad van State liet zich onlangs kritisch uit over de verplichting tot openbaarmaking van sanctiebesluiten, die was opgenomen in het wetsvoorstel ter stroomlijning van het toezicht van de Autoriteit Consument en Markt. Naming and shaming kan, aldus het advies, leiden tot aanzienlijke economische en tot ‘morele schade’ van de onderneming en de betrokken natuurlijke personen. Openbaarmaking zou daarom de uitkomst moeten zijn van een ‘afzonderlijke belangenafweging’. Minister Kamp van Economische Zaken zegt in reactie te streven naar ‘een gedifferentieerd regime, waarbij het doel van openbaarmaking, te weten de waarschuwing van consumenten en marktpartijen, onveranderd vooropstaat maar aan het belang van de rechtsbescherming van de bij openbaarmaking betrokken marktorganisaties meer gewicht wordt gegeven.’3

Onderneming

Een belangenafweging in concrete gevallen maakt de uitkomsten niet altijd voorspelbaar. Worden resultaten van onderzoek nu wel of niet openbaar gemaakt? Kan de toezichthouder naar eigen believen het wapen van communicatie inzetten als middel van gedragsbeïnvloeding? En waarop kan de burger of het bedrijf dan nog vertrouwen?
De vraag is of het niet beter zou zijn om helder te regelen wat wel en niet openbaar gemaakt wordt. Uiteraard hebben dan ook uitzonderingen te gelden, met name voor bedrijfsvertrouwelijke informatie. Maar de hoofdregel blijft de hoofdregel.
Ondernemingen en andere organisaties onder toezicht moeten zich ervan bewust zijn dat bevindingen over hen openbaar worden. Dit hoort bij de deelname aan het maatschappelijk verkeer. Bij maatschappelijk verantwoord ondernemen hoort dat een ondernemer zich maatschappelijk verantwoordt.
Gaat het om natuurlijke personen, dan is voorzichtigheid op zijn plaats. Vanuit het perspectief van een toezichthouder is er niet per se een principieel verschil tussen een rechts- en een natuurlijke persoon; beide zijn ‘onder toezicht gesteld’, beide kunnen met naam en toenaam in de publiciteit komen. Maar de consequenties voor een mens grijpen dieper in dan die voor een organisatie.
Enige prudentie is niet alleen aangewezen omdat toezicht feilbaar is; later kan blijken dat de toezichthouder het bij het verkeerde eind had. Voorzichtigheid is ook geboden als de toezichthouder op zich terecht een maatregel neemt. De gevolgen voor een maatschappelijke positie kunnen buitenproportioneel zijn. Hebben we daarbij voldoende oog voor het fundamentele recht om fouten te maken? En als we de onthulling van de identiteit verdedigbaar vinden voor verwijtbare overtredingen, waarom is het regime voor ‘boeven’ in het toezicht dan anders dan voor ‘boeven’ in het strafrecht? Het zou goed zijn als toezichthouders hiervoor een afwegingskader maken, liefst in afstemming met het Openbaar Ministerie.

Begrip

Uit recent onderzoek naar het openbaarmakingsbeleid van de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) blijkt dat zorgaanbieders begrip hebben voor het publiceren van inspectierapporten en maatregelen.4 Kritiek richt zich onder meer op de korte voorbereidingstijd op de openbaarmaking. Ook zou onvoldoende rekening worden gehouden met het uitvergroten van negatieve aspecten.
De IGZ heeft toegezegd voortaan standaard bij een rapport de zienswijze of reactie van een zorgaanbieder te publiceren. Verder bekijkt de inspectie de mogelijkheid om de termijn te verlengen tussen het aankondigen, instellen en bekendmaken van verscherpt toezicht.
Het onderzoek maakt duidelijk dat niet (of minder) omstreden is dat toezichthouders communiceren over ondertoezichtgestelden. Er is meer discussie over de vraag hoe dat gebeurt. Qua toon en qua procedure.
Ook in het kader van transparantie geldt: c’est le ton qui fait la musique. Een toezichthouder dient zich ook in communicatie te baseren op feiten, niet op suggesties. Hoedt u voor toezichthouders met een mening, vraag hun vooral om een oordeel. Het getuigt van lef als een toezichthouder, zoals de IGZ, ruimte biedt voor wederhoor in het eigen persbericht. Deze praktijk kan een voorbeeld zijn voor anderen.
Ook in de procedure dient een toezichthouder fatsoenlijk te zijn. In verschillende wetten is vastgelegd dat een betrokkene vooraf geïnformeerd moet worden, zodat deze via een voorlopige voorziening kan proberen de publicatie tegen te houden. Ook zonder wettelijke verplichting is het goed om relaties te informeren over publiciteit die ophanden is.

Uiteindelijk is de transparantie er niet voor de toezichthouder of degene die onder toezicht staat, maar voor het algemene publiek. Dat heeft een right to know. In abstracto, over het functioneren van het toezicht. En meer concreet, om gewaarschuwd te worden tegen misstanden.
Bedrijven en burgers moeten beseffen dat zij, zodra zij zich in het maatschappelijk verkeer begeven, ook vatbaar kunnen zijn voor publieke beoordelingen. Toezichthouders moeten beseffen dat hun transparantie fatsoenlijk moet zijn. Zij dienen in de procedure en inhoud van communicatie voldoende ruimte te bieden aan de belangen van alle betrokkenen.

Noten
1 http://www.rob-rfv.nl/documenten/boekje_advies_openbaarheid.pdf

2 http://netdem.nl/verslag-gij-zult-openbaar-maken

3 http://www.raadvanstate.nl/adviezen/zoeken-in-adviezen/tekst-advies.html?id=10729

4 http://www.igz.nl/actueel/nieuws/openbaarmakingsbeleid_igz_onderzocht.aspx

Deze column verscheen eerder in het Tijdschrift voor Toezicht, 2013, aflevering 3, blz. 84-87.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: